preek

...now browsing by tag

 
 

Volg mij …

zondag, april 28th, 2013

Wat een mooi en bijzonder verhaal hoorden we zojuist. Het speelt na de dood en de verrijzenis van Jezus. Het lijkt erop dat zijn leerlingen het oude vak van visser weer willen opnemen. Met zijn zevenen proberen ze de hele nacht iets te vangen. Tevergeefs.

Als het ochtend wordt, op de grens van donker en licht, staat er op de oever opeens een man, die hen tóch vraagt of zij iets te eten hebben. En dan blijkt in deze man de beste visser aan wal te staan. Hij heeft een goeie suggestie: ‘Bekijk het eens van de andere kant.’ “Gooi het eens over een andere boeg!” zegt hij.

Dan hebben ze succes en komen ze met een net vol vissen aan wal. Daar zien ze dat Jezus al een vuurtje aan heeft met vis erop. Toch vraagt hij óók vis van hen en ze geven die. Mij doet dit denken aan dat andere verhaal over Jezus, waarin hij meer dan vijfduizend mensen te eten geeft. Daar vraagt hij ook eerst aan de apostelen of zij wat hebben. Niet meer dan twee broden en vijf vissen, is daar hun antwoord. En we weten wat er op volgt. Er blijft zelfs over!

Bij Jezus krijg je blijkbaar nooit iets voor niks. Je moet er zelf ook altijd iets voor doen, er iets van jezelf in leggen. Vijf broden en twee vissen of een deel van je vangst. Als dan de eerste stap gezet is, neemt Jezus het over. Dan nodigt híj hen uit om te komen eten. Na deze vispartij lijkt het wel een eucharistie op het strand. Jezus deelt brood en geeft ook van de vis. Ook hier is er dan weer genoeg voor iedereen.

Wat mij ook opvalt in dit verhaal: Steeds wordt er gezegd, dat ze niet weten dat het Jezus is. Blijkbaar is Jezus ook aanwezig, als we hem niet direct herkennen. Hij deelt het brood en waar mensen dat doen, is hij er bij, is hij in hun midden. Zoals bij de Emmaüsgangers, die Jezus vragen om bij hén te blijven, op het moment dat híj verder wil gaan. Pas als hij het brood neemt en breekt, – dat is zijn handelsmerk – herkennen zij hem. “Waar 2 of 3 in mijn naam bijeen zijn, ben ik in hun midden.”

Dat navolgen van Jezus kan niet beperkt blijven tot eten en drinken alleen. Bij navolgen gaat het ook om het in praktijk brengen van vriendschap en liefde. Bij de voorbereiding moest ik denken aan mijn eerste preek, vijftien jaar geleden op 6 juni 1998. Daarin heb ik o.a. gezegd:

“Ik vind het van belang om naast en bij mensen te gaan staan. In de spanning die zich voordoet tussen wat formeel hoort en wat in deze situatie wenselijk is, zal ik mij vooral laten leiden door wat er aan goeds en fijns aanwezig is. Ik heb daarbij niet de pretentie iets heel nieuws te brengen. Ook besef ik heel goed dat wat ik anderen te bieden heb, niet ligt in mijn intelligentie, mijn deskundigheid, macht, invloed of connecties, maar in mijn menselijke betrokkenheid, waarin de liefde van God zich zichtbaar kan maken.

Die liefde kunnen we vinden in de manier waarop wij omgaan met elkaar, in de manier waarop we naar elkaar kijken. Daarin komt onze instelling, onze geest tot uiting. Als die niet goed is, kan die verdoven en doden, maar als die wel goed is, kan die opwekken en leven geven.”

In die eerste preek vertelde ik een verhaaltje over een klooster, dat ooit vol jonge monniken had gezeten. Met nog slechts een handvol oude paters was het er nu heel stil geworden. De abt ging te rade bij een wijze goeroe, die hem vertelde, dat één van zijn monniken de vermomde Messias zou zijn. Op de terugweg vroeg de abt zich af, wie dat dan zou kunnen zijn: Broeder kok? Broeder econoom? Broeder portier? Terug in het klooster vertelde hij wat de goeroe had gezegd. De monniken bekeken elkaar vol ongeloof. De Messias, hier? Dat was toch onmogelijk! Maar hij had zich vermomd. Dus toch misschien? Vanaf dat ogenblik gingen de monniken elkaar met andere ogen zien. Want je wist maar nooit. Ze behandelden elkaar meer en meer met achting en waardigheid. Het resultaat was dat het klooster gezelliger en vriendelijker werd én dat het zelfs weer een grote aantrekkingskracht uitstraalde. En de kloosterkerk raakte weer vol van gezang.

Dit verhaal gaat ook in onze dagen nog op. Je ziet het gebeuren in onze parochie, waar mensen anderen bezoeken; mensen het opnemen voor vreemdelingen; mensen anderen, die te weinig eten hebben, voedsel geven; mensen anderen met schulden proberen bij te staan; mensen hun naaste vertrouwen, liefde en aandacht schenken; mensen aan hun naaste een luisterend oor bieden, een hand op de schouder. Door zo te doen, kun je ontvangen, samen lief en leed delen en meer mens worden. Is dat niet ook de intentie van Matteüs 25? “Ik was ziek, naakt, hongerig, was vreemdeling …en jij hebt mij bezocht.”

Preek bij Joh. 21,1-19 tijdens mijn afscheidsvieringen op 13 en 14 april 2013

Op welk kompas vaar ik?

maandag, februari 18th, 2013

Toen ik bijna zeven jaar geleden aan mijn fietstocht naar Santiago de Compostela begon, wist ik maar amper wat me allemaal te wachten stond. Natuurlijk had ik gezorgd voor een goede fiets en de nodige gidsen die mij de weg zouden wijzen. Natuurlijk had ik mij door ervaren pelgrims laten informeren en adviseren over wat raadzaam is en wat je beter niet kunt doen. Natuurlijk had ik hier in de kerk de pelgrimszegen gehaald en gebeden voor een voorspoedige pelgrimstocht.

“Dat je weg puur over rozen gaat, … of dagen zonder pijn en smart zijn, … dat wens ik je niet toe. … Maar wel is mijn wens dat je mag groeien in wie je bent met de gaven die God je gegeven heeft, … dat Hij je mag zegenen overvloedig en rijk.” Zo bad Harrie van Loon toen voor mij.

Pas toen ik op weg was, ontdekte ik gaandeweg wat het betekent voor een langere tijd van huis weg te gaan, dat het niet zo eenvoudig is me van de vertrouwde wereld los te maken en me over te geven aan wat zich aandient. Gaandeweg werd me duidelijk dat alles wat ik nodig heb, mij vanzelf toekomt en als het ware om niet gegeven wordt. Het vroeg wel bescheidenheid van mij en me niet laten voorstaan op mijn pelgrim-zijn.

Concreet betekende dat: tevreden zijn met een dak boven mijn hoofd, geen eisen stellen aan de accommodatie of aan comfort. Daarin zit het verschil tussen een toerist en een pelgrim. Een toerist wil alles naar zijn hand zetten, hij wil geen hotelkamer die niet helemaal voldoet, hij is tegen het vuil op straat, tegen het weer dat tegenvalt. Hij wil alsmaar een Zwitserleven-gevoel hebben. Een pelgrim daarentegen aanvaardt wat op zijn of haar weg komt. En ontdekt iedere keer weer dat zijn ontvankelijkheid weerklank oproept bij de mensen die hij tegenkomt. Ook zij zijn open, toegankelijk en behulpzaam.

Wie de lezingen van zojuist tot zich laat doordringen, proeft daarin dankbaarheid voor wat het leven geeft en bescheidenheid omtrent iemands plaats en kunde. In onze tijd is deze houding van ontvankelijkheid niet makkelijk aan te houden. In alles worden we aangespoord meer te consumeren: zorgen voor eten, voor brood op de plank. Alles te verzekeren, ons te wapenen tegen onverwachte voorvallen: Steeds te kiezen voor het zekere boven het onzekere. Het is moeilijk om een goede keuze te maken. Ga ik als toerist door het leven of als pelgrim?

In het evangelie wordt Jezus ook tot een keuze gedwongen. Ondanks zijn bevestiging bij de doop met de heilige Geest laat Hij zich op de proef stellen en testen wie hij werkelijk is. Ook Hij heeft dat nodig om zijn weg goed te kunnen gaan. Tot drie keer toe wordt Jezus voor een keuze gesteld. Een keuze over het eten en de economie, want daar gaat het om bij brood en brood op de plank. Een keuze om wie de macht heeft over mensen, over volkeren. Een politieke keuze in feite. Een keuze ook aan wie je je wilt overleveren, aan wie je je wilt toevertrouwen. De meest fundamentele relaties zijn hier in het geding. Drie keer moet Jezus kiezen. Wat doet Hem daarbij wel voor het ene kiezen en niet voor het andere? Waar kiest Hij telkens voor? Jezus kiest steeds voor de vrije weg. Die weg van de vrijheid is geen gemakkelijke weg, net als de weg van een pelgrim. Ze is veeleer avontuurlijk, onzeker, je weet niet wat er op je afkomt. Kiezen om slaaf te blijven en je bestaan door een ander te laten bepalen is in zekere zin gemakkelijk: je hoeft dan niet na te denken; er wordt voor je gedacht. Je krijgt immers een volledig verzorgde reis.

Jezus kiest voor een weg van vrijheid. Zo zijn zijn voorouders van onvrijheid naar vrijheid getrokken. Ze waren slaven, ze werden onderdrukt, ze waren niet vrij. Toen hebben ze Egypte kunnen ontvluchten. God heeft hen geleid. Maar de tocht ná de bevrijding, tot in het land van vrijheid, heeft veertig jaar geduurd. Waarom veertig jaar? Waarom zo’n lange tijd? Uiterlijk kan je wel vrij zijn, maar onvrijheid zit ook nog in je, tussen de oren. Het duurt een hele tijd voordat je innerlijk vrij wordt. Eigenlijk duurt dat een heel leven lang.

Tijdens zijn drievoudige keuze gaat Jezus van deze ervaring uit. Hij weet dat je niet vrij wordt als je je laat bepalen door allerlei materiële hebbedingetjes om je heen. Hij weet dat je slaaf kunt zijn binnen relaties, verslaafd aan sex. Hij weet dat je onderdrukt kunt worden door belangengroepen, door de politiek. Jezus kiest, vanuit de overtuiging, dat een mens niet van brood alleen leeft, maar veel meer van een verhaal dat draagt. Een mens leeft pas echt als hij in al zijn relaties de echte liefde toelaat, de liefde van God, en dan andere mensen liefheeft, met heel zijn wezen. Een mens is pas echt vrij als hij niet dictators achterna loopt, maar God als zijn Vader centraal stelt. Zoiets relativeert ieder gezag.

De vasten, de veertig dagen naar Pasen toe, is een tijd om na te denken over de keuzes die wij dagelijks maken. Maken ze ons onvrij of vrij? Wil ik als toerist of als pelgrim door het leven trekken? Wat heb ik nu echt nodig? De veelheid van frutseltjes en middeltjes, of gewoon een wat soberder en misschien zelfs milieuvriendelijker leefpatroon? Het gaat er echt niet om dat je niet mag genieten in je leven. Het gaat er veeleer om dat je weet waarom je de dingen doet zoals je ze doet.

Dit verhaal van de drievoudige keuze van Jezus geeft ons een handvat, een kompas voor ons dagelijks leven: wat heb ik echt nodig om te leven? Kan het met minder? Hoe bouw ik mee aan een vrijere samenleving zonder agressie, zonder zinloos geweld, zonder het heersen van de een over de ander? Hoe groei ik in liefde in mijn relaties? Hoe kan ik mij meer gedragen als pelgrim dan als toerist? De vasten is een tijd om vrijer te worden, om opnieuw te ontdekken wat ons tot vrijheid brengt, door onze aandacht meer te richten op de ander dan op onszelf, met Jezus als kompas.

Preek bij Deut.26,4-10 en Luc 4,1-13 op 16 en 17 feb. 2013

Zoektocht naar gerechtigheid

woensdag, februari 6th, 2013

Wie lange tijd van huis is weggeweest en met nieuwe gedachten en overtuigingen thuiskomt, wordt door de thuisblijvers vaak met wantrouwen bekeken. Dat geldt voor dorpsbewoners die naar de stad zijn gegaan, voor studenten die een tijd op kamers hebben gewoond, voor gastarbeiders die hun weg hebben moeten vinden in een andere cultuur, en dan weer huiswaarts keren. Voor de thuisblijvers is er weinig veranderd en dan valt het niet mee de thuiskomer met al zijn nieuwe ideeën goed te begrijpen. Iemand is vertrokken en die blijkt bij terugkomst niet meer dezelfde te zijn. Maar ook de thuiskomer heeft het zwaar. Zijn elders opgedane ‘nieuwerwetse’ inzichten stuiten op wantrouwen en onbegrip. Hij dreigt er niet meer bij te horen, er buiten te staan.

Jezus overkomt dit ook. Hij wordt afgewezen door zijn dorpsgenoten, ze willen Hem zelfs doden. ‘Wie denkt Hij wel dat Hij is? Hij is toch de zoon van Jozef, onze timmerman?’ En je hoort ze denken: ‘Hij is máár de zoon van de timmerman’. Ze kennen Jezus van kindsbeen af. En nu komt Hij hun even vertellen dat zij zich niet kunnen laten voorstaan op hun ‘uitverkoren’ zijn. Hoe durft Hij! Zij zijn vrome Joden en ze weten heus wel hoe het hoort!

Het is de tweede keer in het evangelie van Lucas dat Jezus bedreigd wordt. De eerste keer was in Betlehem toen Herodes hem wilde vermoorden. Voor Lucas is Jezus de mens, die in heel zijn doen en laten en in wat hij zegt de toekomst belichaamt, waar God naar verlangt. Maar de wereld aanvaardt dat niet, net als bij Johannes in zijn proloog: “Wie van hém waren, hebben hem niet ontvangen…”. Voor Lucas blijft Jezus de situatie volledig meester. ‘Zijn uur is nog niet gekomen,’ zou Johannes zeggen. Nu is het nog niet zo ver en moet Jezus wel kunnen ontsnappen uit handen van de menigte.

Het optreden van Jezus in Nazaret begint met het citaat uit Jesaja. Daarin gaat het om een gezalfde die met goed nieuws komt, die behalve dat hij gevangenen bevrijdt, blinden geneest, onderdrukten verlost ook een genadejaar afkondigt.’ Genadejaren of jubileumjaren: wij kennen ze ook. Ze hebben iets te maken met het oude joodse jubileum, de viering van hun vijftigste jaar na zeven maal zeven jaren. In het begin van dat joodse vijftigste jaar moet de ramshoorn schallen, en dan worden alle slaven vrijgelaten, alle schulden vergeven, en alle goederen, vooral het land, herverdeeld. Er zijn in de bijbel aanwijzingen dat men dat wel eens ‘gedeeltelijk’ deed, maar echte praktijk is het niet geworden. Dat is de reden dat profeten beginnen te spreken van een genadejaar, dat door God onder ons begonnen zal worden. En in Nazaret maakt Jezus zich bekend als degene die dat in Gods naam gaat doen. Geen wonder dat zijn arme dorpsgenoten aanvankelijk enthousiast zijn. Maar dan moeten ze wel zelf beginnen dat waar te maken. En dat is niet zo simpel.

Dat het wél kan blijkt uit het verhaal van ene Harold Miller, een Amerikaanse Afrika-specialist uit de traditie der wederdopers. Van hem is het volgende verhaal bekend: Hij leeft jarenlang onder de Gabra, een nomadenvolk in noord-oost Kenya. Hij ontdekt daar, dat dat volk jubileumjaren viert op de oud-bijbelse manier. Hij is erbij wanneer ze in 1981 een jubileum vieren. Na een jaar van voorbereiding herverdelen ze in dat – volgens hun jaartelling – vijftigste jaar hun vee en andere bezittingen, vergeven alle schulden, leggen alle ruzies bij, en zorgen dat ze allemaal weer gelijk kunnen beginnen. Wanneer Miller hun vertelt dat hij zijn ogen en oren niet kan geloven, zeggen ze hem, dat ze niet begrijpen hoe je een gemeenschap bij elkaar kunt houden zonder zoiets iedere vijftig jaar te doen. ‘Als je dat niet doet,’ zeggen zij, ‘dan worden de onderlinge verschillen zo groot dat de gemeenschap uit elkaar valt. Het verschil tussen rijk en arm wordt dan onverdraaglijk.’ Dat dat zo is, kunnen we afchecken in ons eigen land, en in onze wereld, waar de afstand tussen rijk en arm, nationaal en internationaal, nog steeds groeit, en waar de onderlinge schulden ons allemaal bedreigen.

En wat doen wij? Houden we vast aan groepsvorming en scheidslijnen? Letten wij op de verschillen of zoeken we naar overeenkomsten? Willen wij ons laten raken door dat visioen van Jesaja en in het spoor treden van Jezus Christus? Bewust of onbewust is het eigen aan elke groep, club en organisatie om onderscheid te maken tussen de ‘eigen mensen’ en de buitenstaanders. Er heersen geschreven en ongeschreven regels die het ‘wij-gevoel’ versterken en het voor buitenstaanders minder makkelijk maken binnen te komen. Het mag dan binnen de officiële kerk ogenschijnlijk vooral gaan over regels, waaraan je je te houden hebt, in ons Deurne hier slagen we er vanuit de katholieke en protestantse hoeken in om nader tot elkaar te komen. Het feit dat u mij uitgenodigd hebt hier vandaag de preek te verzorgen, geeft dat duidelijk aan. Dat blijkt ook uit de samenwerking op diaconaal en vormend terrein en de regelmatige oecumenische vieringen. Door open te staan voor de ander maken we ruimte voor onszelf en voor anderen. We zijn bereid om wat we hebben en zijn te delen en samen op te trekken. We willen onze tent uitbreiden, we willen onze tafel verlengen. En zo de kring rond God groter maken.

De Blijde Boodschap is nog steeds actueel, want gevangenen en verdrukten, blinden en armen, ze zijn nog steeds onder ons. Ze verlangen naar een toekomst die je niet in de winkel kunt kopen, maar die ze wel van mensen kunnen ontvangen. Van mensen die naar hen omzien en in wie die bevrijdende God present komt in deze wereld; mensen die in Gods naam naar hen omzien en hen een nieuwe toekomst bieden. Kunnen wij hen die bevrijding presenteren? Wat dat betreft hebben we het tij mee. Waar de overheid een terugtrekkende beweging maakt, het ene loket na het andere sluit en een punt zet achter de verzorgingsstaat, worden wij teruggeworpen op onszelf en meer aangewezen op mensen in onze eigen omgeving. Eén van mijn belangrijkste motivaties om de eerste stap op weg naar het schuldhulpmaatjesproject in Deurne te zetten was de overweging: ‘Wat zou het fijn zijn als straks in Deurne mensen die gebukt gaan onder schulden hulp kunnen krijgen van een ander die hem daar om niet in wil helpen. Dan gaat het niet om een ‘ik geef omdat jij geeft’ (‘do ut des’ in het latijn), niet om het belang van de gever. Deze hulp is gratis. Gratis, een ander woord voor genade. En genade is niet van de een of van de ander. Het is iets tussen wie geeft en wie krijgt. Daar moet je niet een soort loket tussen bouwen. Er moet sprake kunnen zijn van een relatie tussen beiden. Deze relatie bepaalt hoe je met elkaar omgaat. En dat wijst tegelijk op de relatie met God. Die gedachte vind ik mooi verwoord in het volgende verhaal:

In een joodse gemeente was de afspraak dat het bestuur voor kleine veranderingen in de synagoge zelfstandig besluiten kon nemen zonder in alles de rabbijn te moeten raadplegen. Op een dag ontdekte de rebbe dat er achter in de synagoge een offerblok was geplaatst, waarin geld voor de armen kon gedaan worden.

“Wat hebben jullie nu gedaan” was de reactie van de rebbe, “jullie zouden mij toch raadplegen bij belangrijke veranderingen?”

“Is dit dan een belangrijke verandering?”, vroeg de voorzitter.

“Ja”, zei de rabbijn, “heel belangrijk. Tot nu toe moesten jullie zelf naar de armen toegaan om hun nood te leningen. Toen stond jij nog oog in oog met een medemens, en kon je de ontdekking doen dat hij groter was dan jij, omdat hij jou de kans gaf om goed te doen. Met dat offerblok nu sta je niet meer oog in oog met hem, en zul je vergeten dat de arme groter is dan de rijke, dat hij jouw weldoener is”.

In het evangelie vertrekt Jezus niet alleen. Er staat ook dat hij door gaat, dat hij verder gaat op zijn weg. De weg die hem naar Jeruzalem zal leiden, waar hij weer, en om dezelfde reden, de stad uitgesleurd zal worden. Zijn weg gaat verder. Ook onze weg gaat verder. Gaandeweg proeven, ervaren, zien we met de ogen van ons hart, dat het leven te maken heeft met liefde, verbondenheid. Gaandeweg mogen we gaan zien, gaan geloven in wie Hij is. Dat betekent ook Hem herkennen in het gezicht van de andere mens, en zelf Zijn menselijkheid gezicht geven in deze wereld. Gaan zien, gaan geloven, betekent ook zijn Woord waarmaken en doen. Zo wordt het gaan op zijn Woord ook handen en voeten geven aan wie Hij voor mij is, naar mijn eigen maat en mogelijkheden. Het betekent: willen leven in zijn Geest. En dat is: de medemens om je heen zien, onderweg geraakt worden door de ander; vanuit je eigen oorsprong gaan leven, namelijk dat je mens bent, medemens, naaste. Dat je iemand bent die lief kan hebben.

Preek bij Luc 4,14-30 in de Protestantse kerk in Deurne op 3 februari 2013

Door naar voren te blijven kijken

zondag, december 2nd, 2012

Deze week ben ik onverwacht vaak bezig geweest met het evangelie van vandaag. Niet omdat ik op zoek was naar wat ik daar vandaag over zou kunnen zeggen. Maar gewoon omdat het onderwerp zich steeds weer aandiende. Steeds weer zag ik situaties waarin mensen zich genomen voelen, verstrikt raken of geen uitweg meer zien.

Onze jongste zoon wordt op zijn werk aangereden door een heftruck en breekt zijn been. En nu zit hij een paar maanden gedwongen thuis, om de breuk te laten herstellen. En intussen weet hij geen raad met de verloren tijd en energie. En zit hij in over de vraag naar het waarom.

De zoon van vrienden van ons werd enkele jaren geleden op 23-jarige leeftijd getroffen door een herseninfarct. Hij stond toen aan het begin van zijn carrière als gitarist en in de roes van dit beginnende succes. Sindsdien is hij halfzijdig verlamd. En zal nooit meer kunnen doen wat zijn talent was: gitaar spelen.

Een oncologe vertelt in een praatprogramma op tv over de positieve ontwikkelingen in de bestrijding van kanker. Maar ze haalt ook fijntjes aan hoe negatief mensen in de omgeving van de patiënt soms kunnen zijn. Hoe ze na jaren verbaasd naar die persoon reageren, dat hij nog steeds leeft. Het voelt alsof ze hem als het ware dood verklaren.

Ik zie het beeld voor me van die huilende Palestijnse boer aan de rand van Betlehem, machteloos toekijkend hoe zijn hele olijfgaard door bulldozers wordt omgewoeld. Want er moet zo nodig een muur van 9 meter hoog doorheen, om Israel van de Palestijnse gebieden te scheiden. Waar moet hij verder van leven?

Ieder van ons kan zo wel een gebeurtenis noemen, die als een soort aardbeving ons leven in stukken kan gooien: De aankondiging van een ontslag, bedrog of ontrouw in een relatie, het bericht van een ernstige ziekte, het gevoel in de steek gelaten te zijn. Het wordt duister om ons heen. Hoe komen we daar doorheen? Komt het nog ooit goed?

In het evangelie krijgen we vandaag beelden voorgehouden, die ons ook de nodige angst kunnen inboezemen. Ze worden gekoppeld aan het einde der tijden. In de tijd van Lucas begrijpelijk, zo vlak na de verwoesting van de tempel van Jeruzalem. Men dacht toen dat het echt afgelopen was met de wereld.

Maar we horen er direct ook een bemoedigende toon achteraan. Jezus roept zijn toehoorders toen en ook ons nu op, om waakzaam te zijn en de tekenen van de tijd te verstaan. Blijf niet steken in een leven in onzekerheid, spanning en verwarring. Blijf niet steken in klaagzangen en ‘jeremiëren’. Zorg dat je niet afgestompt raakt en je in een strik laat vastzetten. Dan word je een zwartkijker, die alleen maar kijkt naar de werkelijkheid op een te korte termijn.

Dat doe je als je alleen maar bezig bent met materiële dingen, met prestaties leveren of het verzamelen van consumptiegoederen. Dat doe je als je je laat leiden door de zorgen van de dag en op de duisternis gaat schelden. Volgens een oud gezegde is het beter om dan een kaars aan te steken. Op zoek te gaan naar een lichtpuntje. Dat lichtpuntje kun je vinden, als je waakzaam bent, attent, bij de tijd. Attent op elkaar, attent voor de mensen om je heen, attent voor de dingen in de wereld. Blijf met heel je hart bij de tijd. Alleen dan ontstaat er een nieuwe wereld, een nieuwe tijd, toekomst.

Die nieuwe tijd komt er zeker weer voor onze zoon, als hij over een paar weken weer kan rondlopen en rennen.

Die nieuwe tijd is al aangebroken voor de zoon van onze vrienden. Vorige week was hij – vijf jaar na het gebeuren – op de televisie in het programma ‘De Wandeling’. Dankzij zijn vriendin, die hem trouw bleef in zijn strijd, kwam hij weer uit zijn coma en kon hij het leven weer oppakken. Zonder haar – zo biechtte hij op – zou het zeer waarschijnlijk ‘einde verhaal’ zijn geweest. Dank zij haar heeft hij weer zin in het leven gekregen. Met behulp van een stok kan hij zich weer voortbewegen en in zwemmen heeft hij een nieuwe passie gevonden. Op de vraag van de interviewer hoe hij dit leven met beperking vol kan houden, geeft hij als antwoord: “Dat kan ik door naar voren te blijven kijken!”

Die nieuwe tijd breekt ook aan voor mensen met kanker, als zij benaderd worden met de opmerking: “Oh, wat goed dat je nog leeft!”

Die nieuwe tijd kan ook aanbreken voor die Palestijnse boer, als de wereldgemeenschap erin slaagt om de niet-lidstatus van Palestina nu in te zetten voor een duurzaam en vreedzaam met elkaar leven van joden en Palestijnen.

Die nieuwe tijd, toekomst breekt aan als mensen na een ernstig lijden of ziekbed, of zelfs na de dood van een dierbare, kunnen zeggen: “En toch!” Ze gaan dan weer op een nieuwe manier in het leven verder. Net als iemand die herstelt van een ziekte, of zoals Willem na zijn herseninfarct. Als hem gevraagd wordt wie hij zou willen zijn: de popartiest van toen of de Willem van nu? antwoordt hij: De man met de carrière van toen, maar met de persoon die ik nu ben! Voor hem is een nieuwe tijd aangebroken.

Die nieuwe tijd komt er, als wij open staan voor iemand die zo laat zien wat liefde is, wat recht-doen is en wat vrede is, dat wij zelf weer moed en durf krijgen en het de moeite waard vinden om zelf de handen ervoor uit de mouwen te steken. Uiteindelijk gaat het niet om zelfbehoud, om eigen kring, om eigen belang. Eén heeft daarin veel succes gehad tijdens zijn leven. En Hij was daarin zo consequent, dat het Hem zijn leven heeft gekost. Maar uiteindelijk brak met Hem een nieuwe tijd aan. Met Hem is een nieuwe wereld begonnen, een menselijker wereld met meer liefde, gerechtigheid en vrede.

En daar kunnen wij zelf aan bijdragen … in onze gesprekken, in onze levenshouding, in onze zorg voor anderen.

Preek bij Jer 33,14-16 en Luc 21,25-28.34-36 op 1 en 2 dec 2012

Energie voor vrede

maandag, oktober 8th, 2012

Ik zie twee mannen met bouwhelmen op. Ze gaan met grote mokerhamers te keer in de wereld en slaan hele stukken weg uit onze aardbol. Dat is dit jaar te zien op het logo van de Vredesweek, Powered by Peace. Op allerlei manieren halen we energie uit onze aarde. Er is zoveel en voldoende te krijgen, dat deze energie een bron van vrede en welvaart zou kúnnen zijn. Maar helaas wordt die energie allerminst vreedzaam gewonnen en leidt die tot ontelbare conflicten. Of het nu gaat om olie, steenkool of goud of levensmiddelen. Maar al te vaak zijn ze oorzaak van conflict in plaats van bron van welvaart en vrede.

In Colombia bijvoorbeeld heeft de opbrengst van de steenkolenwinning weinig bijgedragen aan de economische vooruitgang van de mensen bij wie de steenkolen worden gewonnen. In plaats daarvan kunnen strijdende groepen van dat geld wapens aanschaffen en de Colombiaanse bevolking onderdrukken. Daarmee worden mensen gewelddadig van hun land verjaagd om plaats te maken voor mijnbouw. De boer rest niets anders dan armoede of een bestaan als arbeider in dat mijnbedrijf. In plaats van meer welvaart voor de bewoners leidt het delven van steenkolen in Colombia tot corruptie en het oplaaien van geweld. De gewone burgers zijn hier het slachtoffer van.

Ook in landen als Zuid-Soedan en de DR Congo zien we eenzelfde geweld en onrecht tegen burgers. In de olierijke gebieden van Zuid-Soedan zijn honderdduizenden burgers van hun land verdreven en tienduizenden vermoord om ruim baan te maken voor de olie-industrie. In de Democratische Republiek Congo dreigen honderdduizenden gouddelvers hun bron van inkomsten kwijt te raken door de komst van industriële mijnbouw.

Dagelijks komen wij in aanraking met producten, die gemaakt zijn met gebruik van deze omstreden grondstoffen. Bijvoorbeeld gouden sieraden, mobiele telefoons, of de stroom uit uw stopcontact. Weet u waar de grondstoffen die u dagelijks gebruikt vandaan komen en hoe die zijn verkregen? Weet u dat er in Afrika mensen hun grond zijn kwijtgeraakt en van hun land zijn verdreven om u met kerstmis lekkere boontjes te kunnen laten eten? Weet u of u misschien ‘fout goud’ in huis hebt?

We zijn ons te weinig bewust van het feit, dat we het hier goed hebben ten koste van mensen elders. Concreet werd dat deze week op de televisie. Daar kwam de grootste bloementeler van Azië, nota bene een Nederlander aan het woord. Hij runt al jarenlang in Vietnam een bedrijf met 2500 arbeiders. Hij vertelde: “Wat je in Nederland per werknemer kwijt bent aan uurloon, dat geef ik hier in Vietnam ongeveer per week uit aan een arbeider.” Tel uit je winst, zou je kunnen zeggen, die man heeft het goed voor elkaar! Maar wat is de keerzijde van deze medaille? Wij kunnen hier voor weinig geld een bloemetje op tafel zetten, terwijl de arbeider in Vietnam net niet van honger zal omkomen.

We praten steeds meer over de global village, zien onze wereld steeds meer als een dorp. Maar hebben we dan ook in de gaten dat dat werelddorp allerminst lijkt op ons Deurne? Als Deurne een beetje op die wereld zou lijken, dan zou je kunnen stellen dat een wijk als de Walsberg het zeer goed heeft met luxe woningen en veel ruimte. En dat de rest van Deurne, het centrum, de Zeilberg, de Sint Jozefparochie en de wijk van de Heilige Geest en de kerkdorpen allemaal zonder voorzieningen zit, geen elektriciteit, geen stromend water, geen riolering en veel mensen, die leven op de rand van armoede.

Wekelijks vieren we hier in de kerk met elkaar vrede, maar in de vredesweek doen we dat in nadrukkelijke verbondenheid met hen voor wie vrede ver weg lijkt. De leefomstandigheden van mensen rond de mijnen in Colombia en DR Congo en op de olievelden van Soedan kunnen nog zo verschillen van de onze, hun verlangen is niet anders dan dat van ons. Wij zijn gezegend, dat we dagelijks kunnen genieten van de vruchten van allerlei grondstoffen. Maar deze bronnen in de wereld raken een keer uitgeput. En eenvoudige mensen zijn kwetsbaar voor de graaiende mens, die de wijsheid van beneden wil halen, de Ander, God, niet in de ogen durft te zien en mensenrechten met voeten treedt.

Jakobus zegt ons vandaag in zijn brief: “Broeders en zusters, waar naijver en eerzucht heersen, daar treft men ook onrust en allerlei minderwaardige praktijken aan. De wijsheid van omhoog is vóór alles rein, maar ook vredelievend, vriendelijk, altijd voor rede vatbaar, rijk aan barmhartigheid en aan vruchten van goede daden, onpartijdig en oprecht. Gerechtigheid is een vrucht van de vrede en slechts wie de vrede nastreven, zullen haar oogsten.”

Bij God gaat het niet om de vraag van de macht, gaat het niet om winnaars of bezitters, het gaat niet om ambities of prestaties, niet jij staat in het midden. Het kind komt in het midden. God incognito. In zijn spoor gaat het om vrede, recht, barmhartigheid. God is incognito aanwezig in de mensen zonder gestalte of luister. Als Jezus zich met hen vereenzelvigt, is dat duidelijk een opdracht aan ons, zijn volgelingen. Hij laat ons de nabijheid van God zien in een kind.

Ik droom van een solidaire wereld, waarin we op een rechtvaardige manier met elkaar omgaan. Er zijn wel verschillen, maar uiteindelijk willen we allemaal vredig samenleven en goed voor onze kinderen en ouderen zorgen. En een ander gunnen wat je zelf ook graag wilt.

Iemand heeft eens gezegd: “Gisteren was ik zo dom te proberen de wereld te veranderen. Nu ben ik wijs en probeer ik mijzelf te veranderen.”

Anders gezegd: ‘Verbeter de wereld, begin bij jezelf.’

 Preek bij Jak 3,16-18;4,1-3 en Mc 9,30-37 op 22 en 23 sep. 2012

Ontvang wat je bent

vrijdag, augustus 31st, 2012

Het houdt maar niet op. Vandaag treffen we in het evangelie voor de vierde zondag op rij een tekst over brood aan. Jezus heeft heel wat uit te leggen, nadat hij in het malse gras aan 5000 man brood heeft uitgedeeld. Veel mensen zagen in Hem een man die wonderen kan doen en liepen daarom achter Hem aan. De evangelist Johannes laat de een na de ander met vraagtekens komen: Waar doet Hij dat toch van? Jezus spreekt in zijn antwoord niet alleen over ‘brood uit de hemel’. Sterker nog: Hij noemt zichzelf ‘het brood uit de hemel’. Tot grote ontsteltenis van de Joden, in wier ogen dit een godslasterlijke uitspraak is.

Afgelopen zondag was ik in natuurtheater ‘De Donck’ in Someren. Daar namen honderden mensen deel aan de oogstdankviering van de plaatselijke kring van de ZLTO. Het was een zonnige, feestelijke viering met passende liederen en teksten. Er was een verbinding te voelen met de natuur, die ons met ruisende bomen en een vriendelijke zon omringde. Ook de vele producten, die er lagen uitgestald (tomaten, aardappelen, prei, melk, komkommers en noem maar op) droegen bij aan dat gevoel van verbinding.

In de teksten weerklonk dankbaarheid en ook zelfonderzoek. Niet altijd slagen wij erin het land dat wij hebben gekregen op waarde te schatten. Want wat is de waarde van een stuk grond? We zijn geneigd dat in euro’s uit te drukken en kijken dan niet naar de eigenlijke waarde, die onschatbaar is. Daardoor vergeten we soms een balans te vinden tussen natuur en economie. We vinden dan opbrengst op korte termijn belangrijker dan milieu. We schieten dan tekort als beheerders van Gods natuur.

Boeren en tuinders zijn dagelijks bezig met het naar hun hand zetten van het leven. Als mensen zijn we geneigd ons bijna een god te wanen. Aan de andere kant beseffen we dagelijks dat we klein zijn ten opzichte van de grootheid van de schepping. Er is leven en dood, geboorte en groei, zoveel wat wij niet in de hand hebben of zomaar ontvangen, dat we vaak nederig ons hoofd buigen.

Wat we ook aan goede inzet proberen te doen, met al ons zwoegen slagen we er niet in voor iedereen voldoende eten te verzorgen. En kennen we mensen in eigen omgeving die te weinig brood op de plank hebben. Mensen verder weg die getroffen worden door droogte en oorlogsellende. Mensen in andere delen van de wereld, met name in Afrika, die door de eigen overheid van hun akkers worden verjaagd ten gunste van grootschalige verbouw door westerse bedrijven.

Niet alles in onze wereld beantwoordt aan hoe het leven geleefd dient te worden. Dat het ook anders kan heeft Jezus ons onder andere laten zien in het delen van de vijf broden en twee vissen. Daarbij is niet alleen dat eten belangrijk, maar gaat het vooral om de gemeenschap, die door dit voedsel tot stand komt en zich verantwoordelijk mag voelen voor de verdeling van deze gaven.

Waar we dagelijks eten en drinken nodig hebben om in leven te blijven, hebben we de eucharistie nodig om ons leven te voeden. Jezus is in zijn overgave aan de bedoelingen van God tot het uiterste gegaan, hij heeft zijn vlees, zichzelf, te eten gegeven, en dat met de dood moeten bekopen. Wanneer wij eucharistie vieren, gedenken wij zijn leven en sterven en voeden wij ons met zijn gezindheid, die onder ons vlees en bloed kan worden en vruchtbaar voor het leven van de wereld.

Als wij het brood en de wijn ontvangen, dan mogen wij als christenen geloven, dat Jezus ons zijn lichaam en bloed geeft, zijn hele persoon. Hij vertrouwt ons de boodschap toe, die hij ontvangen heeft van God zelf en die hij in deze wereld bracht. Hij geeft ons zijn lichaam en bloed, zijn totale persoonlijkheid, de kracht van de geest die hem bezielde, als inspiratie voor ons leven en samenleven.

In sommige kerken wordt bij het te communie gaan gezegd: “Ontvang wat je bent, Lichaam van Christus, wordt wat je ontvangt, Lichaam van Christus.” Die zin verwijst naar de traditie uit de tijd van vóór het jaar 1000, toen er in de kerk echt brood werd gedeeld. en het gelovige volk werd gezien als het Lichaam van Christus. Na die tijd kwam de hostie in de plaats van het brood en verschoof de aandacht daar min of meer naar toe.

Te communie gaan is worden wat we zijn: Christenen in wie Jezus de Christus ten volle leeft, in wie het gelaat van de Vader zich openbaart. Ontvang en wees dat lichaam! Begin te delen, alles wat je hebt, wat wij hebben in ons rijke westen. Delen met hen die niets hebben en dan kijken wat er gebeurt. Misschien is er inderdaad wel genoeg op de wereld. Of wellicht vult de Heer zelf aan waar er tekort is.

Mogen we dat vertrouwen hier en nu in deze viering ervaren en uitdragen in ons leven en werken van de komende week.

Preek bij Spreuken 9,1-6 en Joh 6,51-58 op 18 en 19 augustus 2012

Delen

vrijdag, augustus 10th, 2012

Vorige week maandagmorgen fietste ik na een paar weken vakantie Deurne weer binnen. Mijn oog viel op de etalages in de uitgestorven Stationsstraat. De een na de ander gaf in felle kleuren de opruimingskorting aan: 30% – 50% – 70% en zelfs de helft van de helft! We hebben in onze samenleving zo’n overvloed aan kleding en andere spullen, dat het voor een schijntje wordt weggedaan.

In een opwelling vroeg ik me toen af: Wat zal er op onze Willibrordus-kerk staan? Wat heeft die te bieden? Ik kon er niets op vinden, alleen de haan parmantig boven op het kruis! Alle deuren waren dicht en er was geen teken van leven te bespeuren. ‘Zou er nog wel wat te krijgen zijn?’, zo vroeg ik me af. Soms denk ik namelijk wel eens: ‘Wat heeft die kerk nog te bieden in deze tijd? De klandizie of beter gezegd: het kerkbezoek is teruggelopen tot een minimale 5 of 10 %.’

Maar … een kerkgebouw mag je niet vergelijken met een winkel. Dat is van een hele andere orde. Het is geen handelshuis. Er wordt niets verkocht. Je gaat er niet heen om iets (al of niet met korting) te hálen. Naar een kerkgebouw ga je allereerst om er iets te brengen: Dankbaarheid, geluk, overvloed, liefde. Allemaal zaken die je kunt delen met anderen en die anderen met jou kunnen delen. Die jou en anderen rijk en gelukkig kunnen maken.

In beide lezingen van zojuist wordt ook iets gebracht: Gerstebroden. Brood is voor veel mensen –toen en ook nu nog – naast water levensnoodzakelijk. Het ‘dagelijks brood’ is al het voedsel dat een mens nodig heeft om ‘vandaag’ te leven.

Terwijl er in de eerste lezing twintig gerstebroden en wat vers koren zijn voor honderd man, heeft het evangelie het over heel wat minder: slechts vijf broden en twee vissen. Maar in het evangelie gaat om heel wat meer mensen: het aantal mannen bedroeg ongeveer vijfduizend! In beide verhalen blijft er na het delen over. In het evangelie zelfs twaalf manden vol met broodbrokken. Gewoonlijk spreken we bij dit verhaal over ‘de wonderbare broodvermenigvuldiging’. Maar merkwaardig genoeg komt het woord ‘vermenigvuldigen’ in het hele verhaal niet voor. Als het ergens over gaat in deze tekst, dan is dat wel ‘délen’!

Als je bij dit delen al van wonder zou willen spreken, dan zit dat in wat er gedaan wordt. Wonderen zijn tekenen van Gods nabijheid en verbinden God en de mens met elkaar. Maar wonderen zijn niet – zoals vaak aangegeven – iets van Gods kant alleen. Ook de mens moet een een gebaar maken. Dat laten de verhalen van zojuist allebei duidelijk zien. Zij zetten de dienaar en de leerlingen in de rol van ‘ongelovige’, die allerlei praktische problemen zien, waardoor de opdracht om te delen niet lijkt te kunnen. Zij moeten juist in actie komen. Het brood moet uitgedeeld worden. God kan alleen sámen met mensen wonderen doen.

Johannes doet met zijn verhaal nog iets anders: Hij zet Jezus duidelijk in de lijn van het Oude Testament. Dat doet hij met de zin: ‘Het was kort voor Pasen, het feest van de Joden’. Op die dag herdenken zij de doortocht door de woestijn. Het volk werd daarin door God zelf gevoed met manna, dat iedere dag uit de hemel viel. Zo kon het iedere dag het vertrouwen op God oefenen en ervaren dat hij zorgt dat er voldoende is.

Het verhaal brengt ons ook bij het Laatste Avondmaal. Brood verwijst hier immers ook naar Jezus zelf, die zegt: “Ík bén het bróód des lévens!” Waar brood onontbeerlijk is voor dagelijks leven, is Jezus van beslissende betekenis voor ‘eeuwig leven’. Jezus’ woorden, zijn leven, zijn voorbeeld, ze zijn voedsel voor onze ziel, krachtbron voor ons leven. En ze nodigen ons uit te worden tot zijn volgelingen, tot zijn beeld en gelijkenis, tot instrumenten van zijn liefde.

Als we dadelijk te communie gaan, dan halen we hier vooraan geen hostie (zo lijkt het wel), maar dan nemen we deel aan het lichaam van Christus. Dan drukken we uit, dat we zijn lichaam zijn, dan delen we onze hoop, ons geloof en onze liefde met elkaar. Dan delen we wat we hebben en zijn. Zo is het brood dat Jezus wil zijn, bedoeld als een uitnodiging tot samen delen. Zo wordt een mens brood voor haar medemens. Dan ontstaat er aandacht voor elkaar, raken we op elkaar betrokken. Dan ontstaat er langzaamaan onderlinge solidariteit. Dan wordt iemand, die afwezig is, gemist. Dan nemen mensen elkaar bij de hand, kijken we waar we elkaar kunnen helpen. Dan wordt samen eten samen leven.

Goederen zijn er genoeg in de wereld waarin wij leven. Ze zijn overal te koop en liggen als het ware op elke straathoek voor het oprapen. Die goederen verzamelen of ons ermee verrijken, is niet het voornaamste. Waar het om gaat, is dat wij de wil, de mentaliteit, de van God geërfde liefde omzetten in een manier van leven naar zijn aard. Dan gaat het niet om vermenigvuldigen, maar staat juist het delen met elkaar centraal.

Dat hoeft niet met zoveel woorden op ons kerkgebouw te staan, maar andere mensen mogen het wel weten. Wij zelf zijn daarvoor de enige etalage en kunnen dat laten, zien, voelen en hen uitnodigen. Lokmiddelen en kortingen zijn daarbij niet nodig! Enkel een gastvrije, open deur!

Preek bij 2 Kon 4,42-44 en Joh 6,1-15 op 28 en 29 juli 2012

Waar ligt jouw grens?

vrijdag, augustus 10th, 2012

Toen ik enkele jaren geleden in Lourdes was, werd ik getroffen door de rust en de kalmte binnen het heiligdom. Je zag daar geen kramen met souvenirs, kaarsen of beeldjes van Maria of de paus. Op dat immense plein was alleen plaats voor God en de mensen, voor pelgrims en bedevaartgangers. Er heerste een bijzondere sfeer en ik werd geraakt door het feit, dat alle aandacht uitging naar gehandicapten en zieken, jong en oud. Alles en iedereen was erop gericht hen zo goed mogelijk te begeleiden en te verzorgen.

Hoe anders is het beeld dat het evangelie ons vandaag laat zien. Het plein lijkt meer op de straten zoals buiten het heiligdom Lourdes. Een eindeloze rij eettentjes en winkels vol handel en commercie. Het lijkt meer op een marktplein dan een tempelplein. We zien en horen ook een andere Jezus dan we gewend zijn. De man die doorgaans niet van z’n stuk te brengen is, is boos, en niet zo’n beetje ook. Hij gaat tekeer, Hij is woedend. Op de heiligste plaats van het joodse geloof en leven, de tempel van Jeruzalem, veegt Hij met geweld en geschreeuw de handelaren en geldwisselaars van het plein.

Van dit soort woede schrikken we. Zo laat je je niet tegenover anderen gaan. Toch is woede niet alleen maar negatief. Het zegt ook dat je diep geraakt bent. Als je je goed kwaad kunt maken over iets, wordt ook duidelijk waar je hartstocht ligt. Wel beschouwd kun je beter van doen hebben met boze mensen dan met mensen, die geen emoties tonen en schijnbaar nergens koud of warm van worden. Want van die kille regeltjesmakers weet je niet waar ze staan.

Jezus’ woede heeft ermee te maken dat Hij in de tempel niet veel terugziet van waar het in de tien woorden om gaat: namelijk mensen bevrijden! In de tempel van Jeruzalem, hét centrale heiligdom van de joden, met zijn stenen tafelen van de tien woorden, zou gevierd, geleerd en geleefd dienen te worden, dat de Levende een God van bevrijding is: “Ik ben de Heer, uw God, die u uit Egypte, uit de slavernij heeft bevrijd”.

Hij wilde zijn volk van slaven tot vrije mensen maken. Hij zette het op weg naar een nieuwe toekomst, naar het beloofde land, een land van vrede en gerechtigheid, waarin de onderdrukten worden bevrijd, de kleinen groot gemaakt.

En om zijn mensen de richting te wijzen naar die toekomst vol belofte gaf Hij hen tien richtingwijzers mee. Ze helpen ons mensen de weg mét en ván God te gaan. Zoals een automobilist in het donker op de weg zich laat leiden door reflecterende paaltjes en strepen langs de weg, zo zal het goed leven zijn hier in onze wereld met elkaar en met God, als we die tien woorden werkelijk ter harte nemen.

Helaas verwerden in de loop der tijd de tien woorden tot tien geboden. Door wetgeleerden werd er van alles bijgemaakt: allerlei interpretaties, voorschriften en regeltjes. Zo versteenden de oorspronkelijke leefregels, dat wil zeggen: ze werden zonder hart, zonder bezieling -dode wetten. Veel ouderen herinneren zich dat nog wel van de godsdienstles en de catechismus, waarin de dwang van de tien geboden werd benadrukt: Gij zult niet… Het was bijna: Niets mag, en wat mag, moet! Met daarbij het beeld van God als een soort boekhouder, die van iedereen een lijstje met overtredingen bijhoudt.

Een klein voorbeeld: Eer uw vader en uw moeder. Het woord “eren” werd in de traditie snel ingevuld als gehoorzamen. En dat gehoorzamen werd dan tot het uiterste doorgevoerd: te allen tijd móest en zóu je allereerst gehoorzaamheid betonen aan je ouders -zelfs als jou als kind onrecht werd aangedaan. Hoeveel mensen zijn hierdoor in hun jeugd voor altijd beschadigd geraakt? “Eer je vader en je moeder”, wil eigenlijk zeggen: vergeet niet van wie je het leven hebt gekregen. Je ouders maken dat je in een lijn van familie en traditie staat. Je ouders geven het leven aan je door, want zij ontvingen je uit Gods hand. Ik hoor doopouders dan ook vaak spreken over hun kind als een gave, een geschenk.

Zoals de tien woorden tot dode wetten werden, zo raakte het geloof van Gods volk ook versteend, zoals de tempel van Jeruzalem laat zien. God werd als het ware opgesloten in een gebouw, de tempel. Een gebouw beweegt niet, is niet flexibel. Mensen maken er hun eigen koninkrijkje van en daarmee timmeren ze God ook als het ware dicht – maken hun eigen beeld van hem. Misschien mogen we daar ook in onze tijd wel eens over denken en ons advragen: Zijn onze kerkgebouwen een middel voor onze geloofspraktijk of zijn zij een doel op zich geworden?

De tempel in Jeruzalem was een monument van versteende vroomheid geworden. Wat zich rondom die tempel afspeelde, had niets meer te maken met de kern van het verbond; het was een levenloze cultus vol uiterlijk vertoon geworden, waarin wetgeleerden en priesters de dienst uitmaakten. Rondom de eredienst was een levendige handel ontstaan in offerdieren, die de gelovigen ter plekke konden aanschaffen.

Jezus’ woedende optreden tegen de handelaren op het tempelplein was een protest tegen deze praktijken, waarmee Gods naam werd misbruikt om gewone mensen uit te buiten en klein te maken. In de eredienst gaat het er niet om dat je vooral alles volgens de juiste regeltjes doet; God wil geen offers van ons, maar vraagt naar ons hart. Met welk hart, met welk intentie vier je hier zijn verbond met Hem?

Wat stelt het voor als je hier op zondag brood deelt met elkaar, maar door de week niet deelt van wat je hebt aan geld en goed? Wat stelt je inzet voor een prachtig onderhouden kerkgebouw voor, als je buiten deze deuren anderen steeds de maat neemt en veroordeelt om hun doen en laten? Wat voor zin heeft je bijdrage aan de Vastenaktie of een missionair doel, als je in je dagelijks leven niet tot een sobere en duurzame levensstijl probeert te komen?

Wij allen worden uitgedaagd in het voetspoor van Jezus levende bouwstenen te zijn van een gemeenschap van mensen, die samen wereld en mensen van dienst willen zijn. Echte eredienst is dan ook geen zaak van monumentale gebouwen of van het vieren volgens vastgelegde regeltjes. Eredienst is een zaak van hoofd en hart en handen. en gebeurt daar waar mensen in de geest van de tien woorden zorg dragen voor elkaars geluk. Waar zij er samen de schouders onder zetten en zorgen dat er recht wordt gedaan aan mensen. Als wij woorden van bevrijding hand in hand laten gaan met daden van barmhartigheid, dan bouwen we samen aan een plaats waar God wonen kan.

Moge het zo zijn!

Preek bij Ex,20,1-17 en Joh.2,13-25 op 11 en 12 maart 2012 

                                   Met dank aan Marianne van Tricht

Hoop maakt levend

zondag, mei 1st, 2011
Beste Thomas,
Wat ben ik blij dat de evangelist Johannes zo’n 70 jaar
na de dood van Jezus in zijn verschijningsverhalen
nog zoveel aandacht aan jou heeft geschonken.
Hij had ook kortweg kunnen schrijven dat alle leerlingen
rotsvast overtuigd waren van Jezus’ verrijzenis.
Maar nee, hij laat ons zien dat geloven niet zo eenvoudig is.
En jij bent daar een duidelijk voorbeeld van.
 
Ik heb met jou te doen, als ik zie hoe men in het verleden
nogal negatief over jou heeft gedaan.
Er is zelfs een gezegde over jou:
‘Wat ben jij een ongelovige Thomas!’
Dat negatieve paste goed bij de kerk
die we nog geen eeuw geleden kenden.
Je mocht geen vragen stellen, je mocht niet twijfelen.
Je moest geloven, enkel en alleen omdat de pastoor,
de bisschop of de paus het zo vertelde.
Ook vandaag zijn er nog mensen en kerkleiders die zo denken.
Geloven is dan iets aannemen op gezag van een ander.
 
Beste Thomas, ik begrijp wel dat je zo snel na de kruisiging
– het is pas de eerste dag van de week, zondagavond, –
dat je nog geen drie dagen na die vreselijke gebeurtenis
dat beeld van die gekruisigde nog niet kunt wegpoetsen.
Als een dierbaar iemand sterft, dan kost het mij ook moeite
om dat te accepteren en te verwerken,
en om te wennen aan deze afschuwelijke werkelijkheid.
Er zijn zelfs mensen die niet aan acceptatie toekomen,
zolang ze het lichaam van hun overledene niet hebben gezien.
En bij jou was dat blijkbaar niet anders.
Dat wilde Johannes duidelijk maken
en niet jou negatief afschilderen als een ongelovige.
Hij wist maar al te goed dat geloven niet gemakkelijk is.
Natuurlijk kun je het Onze Vader van buiten leren,
of de geloofsbelijdenis.
Je kunt elke week naar de kerk gaan en trouw de bijbel lezen.
En als alles je voor de wind gaat, als je gezond bent,
gelukkig getrouwd en je kinderen het goed maken,
dan kun je wel geloven in de goedheid van God.
Maar, o wee, als je een lief mens verliest aan de dood,
als er iets met je kinderen gebeurt,
als je ernstig ziek wordt, als je je werk niet meer kunt doen.
 
Als ik daaraan denk, beste Thomas, kan ik me voorstellen,
hoe jij je gevoeld moet hebben, toen daar in dat huis.
Jij kon, wilde niet om het lijden heen.
Je kon niet doen alsof Jezus niet aan het kruis geslagen was,
gemarteld en gedood.
Je moest eerst zijn kapotte handen zien, zijn gewonde zijde.
Je kon niet doen alsof er geen lijden is in het leven.
Geloven in opstanding, in licht dat sterker is dan duisternis,
in leven dat sterker is dan de dood,
zulk een geloven is niet gemakkelijk en zal nooit gemakkelijk zijn.
En toch waren jouw twijfel, vragen en ongeloof niet het laatste.
Je hebt je hart kunnen openstellen,
de dichte deuren van je twijfelende hart geopend
en Jezus binnengelaten, die je toezegde: ‘Vrede zij met jou!’
Is dat geen wonder dat je, ondanks alle duisternis,
toch licht in je leven kan laten doordringen?
Die wonderen zie ik ook me heen gebeuren.
 
Zo hoorde ik laatst het verhaal van een vrouw,
van wie op één en dezelfde dag
een zoon een zeer ernstig ongeluk kreeg en een kleinkind stierf.
Zij was altijd zeer actief geweest in de kerk en zong in het kerkkoor.
Maar na die tragedie kon ze dat allemaal niet meer.
“Hoe kan ik zingen van Gods goedheid,
als Hij dit soort dingen laat gebeuren”, zei zij.
Toch heeft zij haar kerk weer teruggevonden, haar koor,
en ontdekt dat ze het niet helemaal alleen hoeft te doen,
Dat er mensen zijn die luisteren naar haar verdriet,
en haar steunen en dragen.
Ik zie overal om me heen mensen, die een groot verlies
hebben geleden en die toch weer opnieuw zin vinden in het leven.
 
Beste Thomas, jij en je maten hebben zich
er toch maar goed doorheen geslagen.
Door jullie harten, ogen en oren te openen
hebben jullie de opstanding van Jezus mogelijk gemaakt.
En hebben jullie je laten voortdrijven door zijn Geest,
die Jezus over jullie uitblies,
toen Hij jullie opdroeg elkaar te vergeven.
Wij bidden dan ook dagelijks in het Onze Vader:
‘Vergeef ons , zoals wij anderen vergeven …’
Dat vergeven dat Hij zo vaak aan mensen had gedaan,
dat Hij er ruzie over kreeg met de joodse Schriftgeleerden.
 
Is het waar, beste Thomas, dat jullie trouw bleven
aan het gemeenschappelijk leven en ijverig waren
in het breken van het brood en het gebed, zoals Lucas schrijft?
Hoe kan het dan dat we daar vandaag zo weinig van terugzien?
We bidden toch ook in het Onze Vader om ons dagelijks brood.
Of zien we niet waar het werkelijk om gaat?
Staren we ons blind op aantallen gelovigen en op kerkbezoek
en zien we niet hoe overal mensen brood breken met elkaar
in een of ander huis en samen hun voedsel genieten
in blijdschap en eenvoud van hart?
Zou daarin niet de redding zitten,
die Jezus ons door zijn opstanding heeft gebracht?
 
Ik bid dat wij – net als jij gedaan hebt, Thomas –
niet goedgelovig aannemen wat we zien
of wat ons wordt voorgespiegeld,
maar de juiste vragen leren te stellen.
Ik vertrouw erop, dat Jezus ons met zijn Geest inspireert
en ons aanzet tot aandacht voor de naaste die ons nodig heeft.
Dan werken we aan een nieuwe aarde,
waar vrede is voor iedereen
en het Rijk Gods aan het licht kan komen.
Preek bij Hand.2,42-47 en Joh.20,19-31 op 30 april en 1 mei 2011