delen

...now browsing by tag

 
 

Zoektocht naar gerechtigheid

woensdag, februari 6th, 2013

Wie lange tijd van huis is weggeweest en met nieuwe gedachten en overtuigingen thuiskomt, wordt door de thuisblijvers vaak met wantrouwen bekeken. Dat geldt voor dorpsbewoners die naar de stad zijn gegaan, voor studenten die een tijd op kamers hebben gewoond, voor gastarbeiders die hun weg hebben moeten vinden in een andere cultuur, en dan weer huiswaarts keren. Voor de thuisblijvers is er weinig veranderd en dan valt het niet mee de thuiskomer met al zijn nieuwe ideeën goed te begrijpen. Iemand is vertrokken en die blijkt bij terugkomst niet meer dezelfde te zijn. Maar ook de thuiskomer heeft het zwaar. Zijn elders opgedane ‘nieuwerwetse’ inzichten stuiten op wantrouwen en onbegrip. Hij dreigt er niet meer bij te horen, er buiten te staan.

Jezus overkomt dit ook. Hij wordt afgewezen door zijn dorpsgenoten, ze willen Hem zelfs doden. ‘Wie denkt Hij wel dat Hij is? Hij is toch de zoon van Jozef, onze timmerman?’ En je hoort ze denken: ‘Hij is máár de zoon van de timmerman’. Ze kennen Jezus van kindsbeen af. En nu komt Hij hun even vertellen dat zij zich niet kunnen laten voorstaan op hun ‘uitverkoren’ zijn. Hoe durft Hij! Zij zijn vrome Joden en ze weten heus wel hoe het hoort!

Het is de tweede keer in het evangelie van Lucas dat Jezus bedreigd wordt. De eerste keer was in Betlehem toen Herodes hem wilde vermoorden. Voor Lucas is Jezus de mens, die in heel zijn doen en laten en in wat hij zegt de toekomst belichaamt, waar God naar verlangt. Maar de wereld aanvaardt dat niet, net als bij Johannes in zijn proloog: “Wie van hém waren, hebben hem niet ontvangen…”. Voor Lucas blijft Jezus de situatie volledig meester. ‘Zijn uur is nog niet gekomen,’ zou Johannes zeggen. Nu is het nog niet zo ver en moet Jezus wel kunnen ontsnappen uit handen van de menigte.

Het optreden van Jezus in Nazaret begint met het citaat uit Jesaja. Daarin gaat het om een gezalfde die met goed nieuws komt, die behalve dat hij gevangenen bevrijdt, blinden geneest, onderdrukten verlost ook een genadejaar afkondigt.’ Genadejaren of jubileumjaren: wij kennen ze ook. Ze hebben iets te maken met het oude joodse jubileum, de viering van hun vijftigste jaar na zeven maal zeven jaren. In het begin van dat joodse vijftigste jaar moet de ramshoorn schallen, en dan worden alle slaven vrijgelaten, alle schulden vergeven, en alle goederen, vooral het land, herverdeeld. Er zijn in de bijbel aanwijzingen dat men dat wel eens ‘gedeeltelijk’ deed, maar echte praktijk is het niet geworden. Dat is de reden dat profeten beginnen te spreken van een genadejaar, dat door God onder ons begonnen zal worden. En in Nazaret maakt Jezus zich bekend als degene die dat in Gods naam gaat doen. Geen wonder dat zijn arme dorpsgenoten aanvankelijk enthousiast zijn. Maar dan moeten ze wel zelf beginnen dat waar te maken. En dat is niet zo simpel.

Dat het wél kan blijkt uit het verhaal van ene Harold Miller, een Amerikaanse Afrika-specialist uit de traditie der wederdopers. Van hem is het volgende verhaal bekend: Hij leeft jarenlang onder de Gabra, een nomadenvolk in noord-oost Kenya. Hij ontdekt daar, dat dat volk jubileumjaren viert op de oud-bijbelse manier. Hij is erbij wanneer ze in 1981 een jubileum vieren. Na een jaar van voorbereiding herverdelen ze in dat – volgens hun jaartelling – vijftigste jaar hun vee en andere bezittingen, vergeven alle schulden, leggen alle ruzies bij, en zorgen dat ze allemaal weer gelijk kunnen beginnen. Wanneer Miller hun vertelt dat hij zijn ogen en oren niet kan geloven, zeggen ze hem, dat ze niet begrijpen hoe je een gemeenschap bij elkaar kunt houden zonder zoiets iedere vijftig jaar te doen. ‘Als je dat niet doet,’ zeggen zij, ‘dan worden de onderlinge verschillen zo groot dat de gemeenschap uit elkaar valt. Het verschil tussen rijk en arm wordt dan onverdraaglijk.’ Dat dat zo is, kunnen we afchecken in ons eigen land, en in onze wereld, waar de afstand tussen rijk en arm, nationaal en internationaal, nog steeds groeit, en waar de onderlinge schulden ons allemaal bedreigen.

En wat doen wij? Houden we vast aan groepsvorming en scheidslijnen? Letten wij op de verschillen of zoeken we naar overeenkomsten? Willen wij ons laten raken door dat visioen van Jesaja en in het spoor treden van Jezus Christus? Bewust of onbewust is het eigen aan elke groep, club en organisatie om onderscheid te maken tussen de ‘eigen mensen’ en de buitenstaanders. Er heersen geschreven en ongeschreven regels die het ‘wij-gevoel’ versterken en het voor buitenstaanders minder makkelijk maken binnen te komen. Het mag dan binnen de officiële kerk ogenschijnlijk vooral gaan over regels, waaraan je je te houden hebt, in ons Deurne hier slagen we er vanuit de katholieke en protestantse hoeken in om nader tot elkaar te komen. Het feit dat u mij uitgenodigd hebt hier vandaag de preek te verzorgen, geeft dat duidelijk aan. Dat blijkt ook uit de samenwerking op diaconaal en vormend terrein en de regelmatige oecumenische vieringen. Door open te staan voor de ander maken we ruimte voor onszelf en voor anderen. We zijn bereid om wat we hebben en zijn te delen en samen op te trekken. We willen onze tent uitbreiden, we willen onze tafel verlengen. En zo de kring rond God groter maken.

De Blijde Boodschap is nog steeds actueel, want gevangenen en verdrukten, blinden en armen, ze zijn nog steeds onder ons. Ze verlangen naar een toekomst die je niet in de winkel kunt kopen, maar die ze wel van mensen kunnen ontvangen. Van mensen die naar hen omzien en in wie die bevrijdende God present komt in deze wereld; mensen die in Gods naam naar hen omzien en hen een nieuwe toekomst bieden. Kunnen wij hen die bevrijding presenteren? Wat dat betreft hebben we het tij mee. Waar de overheid een terugtrekkende beweging maakt, het ene loket na het andere sluit en een punt zet achter de verzorgingsstaat, worden wij teruggeworpen op onszelf en meer aangewezen op mensen in onze eigen omgeving. Eén van mijn belangrijkste motivaties om de eerste stap op weg naar het schuldhulpmaatjesproject in Deurne te zetten was de overweging: ‘Wat zou het fijn zijn als straks in Deurne mensen die gebukt gaan onder schulden hulp kunnen krijgen van een ander die hem daar om niet in wil helpen. Dan gaat het niet om een ‘ik geef omdat jij geeft’ (‘do ut des’ in het latijn), niet om het belang van de gever. Deze hulp is gratis. Gratis, een ander woord voor genade. En genade is niet van de een of van de ander. Het is iets tussen wie geeft en wie krijgt. Daar moet je niet een soort loket tussen bouwen. Er moet sprake kunnen zijn van een relatie tussen beiden. Deze relatie bepaalt hoe je met elkaar omgaat. En dat wijst tegelijk op de relatie met God. Die gedachte vind ik mooi verwoord in het volgende verhaal:

In een joodse gemeente was de afspraak dat het bestuur voor kleine veranderingen in de synagoge zelfstandig besluiten kon nemen zonder in alles de rabbijn te moeten raadplegen. Op een dag ontdekte de rebbe dat er achter in de synagoge een offerblok was geplaatst, waarin geld voor de armen kon gedaan worden.

“Wat hebben jullie nu gedaan” was de reactie van de rebbe, “jullie zouden mij toch raadplegen bij belangrijke veranderingen?”

“Is dit dan een belangrijke verandering?”, vroeg de voorzitter.

“Ja”, zei de rabbijn, “heel belangrijk. Tot nu toe moesten jullie zelf naar de armen toegaan om hun nood te leningen. Toen stond jij nog oog in oog met een medemens, en kon je de ontdekking doen dat hij groter was dan jij, omdat hij jou de kans gaf om goed te doen. Met dat offerblok nu sta je niet meer oog in oog met hem, en zul je vergeten dat de arme groter is dan de rijke, dat hij jouw weldoener is”.

In het evangelie vertrekt Jezus niet alleen. Er staat ook dat hij door gaat, dat hij verder gaat op zijn weg. De weg die hem naar Jeruzalem zal leiden, waar hij weer, en om dezelfde reden, de stad uitgesleurd zal worden. Zijn weg gaat verder. Ook onze weg gaat verder. Gaandeweg proeven, ervaren, zien we met de ogen van ons hart, dat het leven te maken heeft met liefde, verbondenheid. Gaandeweg mogen we gaan zien, gaan geloven in wie Hij is. Dat betekent ook Hem herkennen in het gezicht van de andere mens, en zelf Zijn menselijkheid gezicht geven in deze wereld. Gaan zien, gaan geloven, betekent ook zijn Woord waarmaken en doen. Zo wordt het gaan op zijn Woord ook handen en voeten geven aan wie Hij voor mij is, naar mijn eigen maat en mogelijkheden. Het betekent: willen leven in zijn Geest. En dat is: de medemens om je heen zien, onderweg geraakt worden door de ander; vanuit je eigen oorsprong gaan leven, namelijk dat je mens bent, medemens, naaste. Dat je iemand bent die lief kan hebben.

Preek bij Luc 4,14-30 in de Protestantse kerk in Deurne op 3 februari 2013