Gastvrijheid: geven en ontvangen

Written by Harry Keijsers on January 9th, 2016

Uit een project voor kleuters van jaren geleden herinner ik mij een prentenboek van Leo Lionni met als titel Blauwtje en Geeltje. Blauwtje en Geeltje, zo heten de twee kinderen in dit boek, zijn elkaars vriendje. Als ze tijdens een middagje spelen elkaar omarmen, worden ze allebei groen. Thuiskomend worden ze door hun ouders niet meer herkend en willen zij hun kind weer wegsturen. Maar wanneer de ouders van Blauwtje later hun huilende kind toch herkennen en het vriendje van hun zoon omarmen, merken ze dat zij zelf ook groen worden. Aan kleuters vertelt dit verhaal dat twee kleuren samen een nieuwe kleur vormen. Volwassenen kunnen er uit leren, dat er iets in hen en de ander verandert, als hij die ander bij zich toelaat.

Harry Keijsers - LÉsprit du Chemin (Small)

In de afgelopen maanden hebben we in ons veilige landje en het welvarende West-Europa ervaren hoe kwetsbaar het leven is. We zien vreemdelingen, die zeeën en grenzen trotseren en over autowegen en spoorlijnen een veilig heenkomen zoeken in onze omgeving, streek, stad of dorp. Sommigen onder ons verschieten van kleur en voelen zich hierdoor overspoeld. Zij zien vooral het massale en anonieme. Anderen zien in hen allereerst medemensen, die op de vlucht zijn als gevolg van oorlogsgeweld. Zij ontvangen hen van harte met voedsel, kleding en onderdak, en veranderen daardoor van kleur. De komst van deze vluchtelingen naar ons land vraagt onoverkomelijk om een reactie.

Gastvrijheid

Gastvrijheid bieden aan de vreemdeling, aan de ander (die echt anders is) is geen voor de hand liggende zaak. Veel talen hebben zelfs voor ‘vreemdeling’ en ‘vijand’ hetzelfde woord. De spanning die er ligt in het Griekse woord philoxenia (‘phílos’ = vriend en ‘xenos’= vreemdeling) –liefde en vriendschap bieden aan de vreemdeling – laat zien dat het betonen van gastvrijheid niet voor de hand ligt. Gastvrijheid wordt gehinderd door xenofobie (‘xénos’= vreemdeling en ‘phóbos’= angst/vrees) – een algemene angst en afkeer van mensen voor alles en iedereen die vreemd, ongewoon of zeldzaam is. De komst van de vreemdeling betekent immers verandering. Om die te verwerken is er ruimte en tijd nodig. Gastvrijheid vraagt van de gastheer dat hij in zekere zin ook vreemdeling wil worden. Gastvrijheid gaat niet alleen over geven, maar ook over ontvangen.

Van oudsher en overal zijn mensen bezig met gastvrijheid. Van de Maya’s in Midden-Amerika is bekend, dat zij altijd een deel van de oogst op het land achterlaten voor de dieren en de vogels én voor de vreemdeling die mogelijk voorbij komt. Europese kolonisten ontdekten bij de inheemse indianen in de Caraïben de ananas als een symbool van gastvrijheid. Zij hingen een ananas bij de ingang van hun huizen als welkomstteken. Nu komen we die bij ons wel eens in steen tegen bij ingangen en poorten van statige huizen. Van moslims is bekend dat zij vaak een extra bord op tafel klaarzetten voor het geval er gasten komen.

Harry Keijsers - Gouda - Genootschap -2 (Small)

In het Oude Testament

In de tijd van de aartsvaders was het verzorgen van vreemdelingen een heilige verplichting. In het Jodendom, Christendom en Islam is dit een belangrijk thema. Achter het aanbieden van voedsel, onderdak en vriendschap aan de doortrekkende reiziger zat het besef dat men zelf ook in zo’n afhankelijke positie terecht zou kunnen komen. Ook wordt er in de bijbel gewezen op de eigen situatie van het volk van Israël, dat is weggetrokken uit de slavernij van Egypte en zich een plaats heeft moeten verwerven in het Beloofde Land: ‘Vreemdelingen mag u niet slecht behandelen. U weet zelf hoe een vreemdeling zich voelt, omdat u ook als vreemdeling in Egypte gewoond hebt.’ (Ex. 23,9) Een motief voor gastvrijheid is ook gelegen in de kans dat God een boodschapper in de persoon van een vreemdeling stuurt.

Hét voorbeeld van gastvrijheid in het Oude Testament is het verhaal over het bezoek van de drie engelen aan aartsvader Abraham in Genesis 18. In het vervolg van dit verhaal wordt duidelijk, dat degene die gastvrij is, zelf zegen ontvangt: Abraham en zijn vrouw Sara zullen een zoon krijgen. Het tegendeel van zegen overkomt wie het aan gastvrijheid ontbreekt. Zoals de inwoners van Sodom, die de gasten van Lot willen besodemieteren (Gen. 19). De hele stad wordt verwoest. Nog erger wordt het in Richteren 19, waar de gastheer om de uitlevering van een gast wordt gevraagd. Uiteindelijk sturen de gast en zijn gastheer de bijvrouw van de gast naar buiten, waar ze wordt verkracht en mishandeld.

In het Oude Testament wordt vaak nadrukkelijk opgeroepen tot een leefwijze, waarin plaats is voor vreemdelingen. Om hen gastvrij te bejegenen en ruimte voor hen vrij te maken. Wat bij het oogsten van olijven, graan en druiven achterblijft is bedoeld voor de (in deze volgorde!) vreemdelingen, weduwen en wezen, zo lezen we tot drie keer toe in hoofdstuk 24 van Deuteronomium. Opmerkelijk is in dit verband het boek Ruth. Zij is een Moabitische vrouw, die als weduwe met haar schoonmoeder naar Juda komt, waar zij op de akkers aren gaat lezen. Een rechtsgetrouwe jood neemt haar op en huwt haar. Door hun gezamenlijke zoon, Obed, de vader van Isaï, wordt de vreemdeling Ruth de overgrootmoeder van koning David. Het boek Ruth maakt duidelijk dat God werkzaam kan zijn door vrouwen en vreemdelingen, die onder zijn vleugels een toevlucht zoeken. We komen haar naam weer tegen in het overzicht van de afstamming van Jezus aan het begin van het evangelie van Matteüs.

rembrandt_samaritaan001

In het Nieuwe Testament

In het evangelie van Lucas over de geboorte van Jezus is er uitgerekend voor hem geen plaats in de herberg en wordt hij in doeken gewikkeld in een voederbak gelegd. Niet lang daarna moet het jonge gezin zelfs vluchten naar Egypte. Jezus, hij die niet welkom lijkt in de wereld, trekt in zijn leven het spoor van gastvrijheid uit het Oude Testament juist consequent door. In zijn persoon manifesteert zich het duidelijke bewijs van Gods ‘partijdigheid’. Dat zien we aan de vele maaltijden, waaraan hij deelneemt, en de mensen bij wie hij te gast wil zijn (Zacheüs, tollenaars en farizeeën). In zijn parabels, die vertellen over de gastvrijheid in het Koninkrijk van God, gaat het vaak over thuiskomen en samen eten. Daarbij is iedereen welkom. Niet alleen belangrijke en correcte mensen, maar juist degenen die buiten de samenleving gezet worden. In het verhaal over de Emmaüsgangers (Luc. 24,13-35) wordt de vreemdeling, die deze wandelaars onderweg ontmoeten, uitgenodigd om bij hen te blijven. En dan worden de rollen omgedraaid. De gast wordt gastheer. En degenen die gastvrijheid bieden worden ontvangers van gastvrijheid. Laatst vertelde een pelgrim dat de monniken op leeftijd, bij wie hij onderweg te gast was geweest, naar zijn gevoel meer aan zijn bezoek hadden beleefd dan hijzelf.

emmaus_rembrandt_van_rijn

Die gastvrijheid staat later ook in dienst van het evangelie en de verspreiding ervan. Zo dient er gastvrijheid betoond te worden aan rondreizende evangelisten. De eerste christelijke gemeenten leefden aan de rand van de samenleving. Zij waren als ‘mensen van de weg’ vreemdelingen en bijwoners in de plaats waar zij woonden. Dit in schrille tegenstelling tot tegenwoordig waar christenen soms vooral ‘mensen van de (vaste) zitplaats’ lijken te zijn geworden.

Zien, bewogen worden, handelen

Een zeer bekende parabel van Jezus is die over de Barmhartige Samaritaan (Luc 10,25-37). Op de vraag van een wetgeleerde over wie zijn naaste is, vertelt Jezus over een man, die onderweg overvallen wordt door rovers en daarna halfdood achterblijft. Een voorbijkomende priester, en later ook een leviet, ziet hem en loopt met een boog om hem heen. Maar een Samaritaan, die hem ziet liggen, krijgt medelijden, verzorgt hem en brengt hem naar een herberg.

Voor de joods-christelijke traditie heeft gastvrijheid vooral te maken met het hebben van een luisterend oor en een zorgzaam oog voor de ander. Dat je ziet, bewogen wordt en handelt. Je huis open zet voor een ander, je tafel deelt met een ander. Dat betekent niet dat je iemand in je huis verwelkomt om net als jij te worden, maar dat je samen een ruimte betreedt waar je allebei anders uitkomt. Van kleur verandert zoals in het verhaal van Blauwtje en Geeltje. Daarvoor moet je in je eigen leven geraakt durven worden. En dat gebeurt niet op kleurloze wijze. Het is altijd déze gastvrijheid, beoefend door déze mens. In deze ontmoeting is er niet enkel de beweging van de gastheer naar de gast maar ook de beweging van de gast naar de gastheer. Beide bewegingen versmelten in elkaar en zowel de gast als de gastheer zullen er door veranderd verder gaan.

Mogelijk kan in die ontmoeting – maar dat is niet zeker of nodig – Gods aanwezigheid ervaren worden, te zien zijn in het gelaat van de ander. Het is vanuit deze ultieme contactervaring dat mensen bewogen raken, het leven als een gave ervaren. Als een schat die men wil delen. Dit samen leven, samen in het leven staan, maakt dat mensen elkaar niet meer naar het leven kúnnen staan. Wie werkelijk vol in het leven staat, kan alleen nog maar uit liefde leven.

(dit artikel van mijn hand is ook gepubliceerd in “Jacobsstaf” nr. 108 van december 2015, een uitgave van het Nederlands Genootschap van Sint Jacob)

 

Leave a Comment





Time limit is exhausted. Please reload CAPTCHA.