Jacobus en heksen

...now browsing by category

 

Wat heeft Jacobus met heksen?

dinsdag, november 10th, 2015

Eind november 2014 zie ik in een plaatselijk weekblad een afbeelding met in het midden Jacobus als pelgrim. De afbeelding staat bij een artikel over Anna Ceelen, een Astense vrouw, die in 1595 door de heer van Asten, Bernard van Merode, werd beschuldigd van hekserij en in datzelfde jaar overleed door marteling in de kelders van Kasteel Asten. In januari kom ik op de website van het Catharijneconvent bij de aankondiging van een tentoonstelling over heksen naast deze afbeelding nog een tweede afbeelding met Jacobus tegen. Dan komt bij mij de vraag op: Wat heeft onze Jacobus toch met heksen te maken? Ik ga te rade bij het proefschrift van de Belgische kunsthistorica Renilde Vervoort, Vrouwen op den besem en derghelijck ghespoock, vertrekpunt voor de tentoonstelling (van 19 september 2015 tot en met 31 januari 2016. Vervoort heeft een uitvoerige studie gemaakt over het fenomeen hekserij. En stelt dat twee prenten van Pieter van der Heyden naar Pieter Bruegel uit 1565 bepalend zijn geweest voor het latere beeld van heksen. Maar op die kwestie ga ik hier niet in. Mijn vraag is: Wat heeft Jacobus met hekserij te maken? En waarom is Jacobus hierbij als pelgrim afgebeeld en niet als apostel?

Naamloos-1

De heilige Jacobus wordt door duivelse goocheltrucs voor de magiër geplaatst

 Naamloos-2

Dezelfde bad tot God om de magiër door de demonen te laten verscheuren

Wat zien we op die prenten?

De eerste prent laat een ruïne met tovenaars en heksen zien. Uit de ketel onder de schoorsteen stijgen dampwolken op. Eén heks op een bezem verdwijnt in de schoorsteen, een andere komt er boven uit. Onder op de prent kijken we door een gat in een kelder, met het silhouet van een duivel. Op de grond staan magische tekens, op de schoorsteenmantel een magische cirkel. In het midden staat een grote walmende heksenketel met erin een tweede pot, waaruit een wolk komt met regendruppels, die een dorp en kerktoren overstroomt en een boot schipbreuk doet lijden. Midden in dit tafereel staat Jacobus in de ons bekende pelgrimsuitrusting. Hij maakt een bezwerend gebaar naar een magiër, die in zijn boek naar een formule zoekt. Uit een pot stijgt een dampwolk omhoog met heksen op monsters. Deze spuwen wind, hagel en onweer uit.

Op de tweede prent zien we een kerkplein. Jacobus staat rechts bij de kerkpoort en maakt weer een bezwerend gebaar. Achter hem staan geleerden en gegoede burgers. De rest van het beeld straalt onrust uit. Centraal in dit beeld wordt de magiër nu door de monsters met stoel en al omgegooid. Ook wordt hij met allerlei wapentuig bedreigd. We zien verder goochelaars, jongleurs, een koorddanser, acrobaten, slangenmensen, een buikspreker, zwaarddansers, muzikanten en narren. Ze hebben allemaal monsterlijke trekken zoals holle ogen, klauwachtige handen of voeten. De heksen zijn op één na vervangen door deze kunstenmakers. De enige heks in beeld vliegt weg met een stoomwolk uit haar mond.

Legende over Jacobus en Hermogenes

Opmerkelijk is dat de onderschriften bij de prenten niet gaan over heksen of over acrobaten en kunstenmakers. Ze verwijzen naar een legende uit de vijfde eeuw over een ontmoeting van Jacobus met een magiër, Hermogenes.

Deze legende – gebaseerd op het verhaal uit Handelingen over Petrus en de tovenaar Simon – vertelt, dat Jacobus na een mislukte missie in Spanje weer in Judea gaat prediken. Dat wekt de woede van Hermogenes, een magiër. Die stuurt zijn dienaar Filetus naar Jacobus om hem te vertellen dat de verhalen over Jezus niet kloppen. Jacobus weet Filetus te bekeren door citaten uit de bijbel en door het verrichten van wonderen. Hermogenes slaat bij terugkomst de bekeerde Filetus in de boeien. Door een zakdoek, die Jacobus laat bezorgen, vallen zijn boeien af en gaat Filetus weer naar Jacobus. Daarop stuurt de woedende magiër kwade geesten en demonen naar de apostel en Filetus. Maar daar worden deze door een engel Gods met vurige ketenen vastgebonden. De angstige geesten smeken Jacobus om hen vrij te laten. Jacobus vraagt de engel hen te bevrijden en geeft de geesten opdracht om Hermogenes te halen. De demonen brengen de magiër bij Jacobus. Deze bespreekt met Hermogenes diens dwalingen en laat hem dan weer vrij. Bij thuiskomst besluit Hermogenes al zijn boeken te verbranden, maar Jacobus vraagt hem deze in zee te gooien. Hermogenes bekeert zich dan tot het christendom.

Waarom demonen, heksen en kunstenmakers op de deze prenten?

De prenten zijn een spiegel van de vijftiende en zestiende eeuw. Theologen en inquisiteurs zijn overtuigd van een complot tussen de duivel en zijn bondgenoten. Men gelooft in slechtweer-toverij door heksen. Daarmee probeert men de Kleine IJstijd, de weersomslag rond 1550-1560 te verklaren, waarin het land geteisterd wordt door koud en nat weer, hagelbuien en onweer, misoogsten, honger, ziekte en dood. Deze verschijnselen zien we in de eerste prent terug. Ook heeft men – de gegoede burgerij – in die tijd niet veel op met kunstenmakers. Sommigen worden door hun gebruik van bezweringen in verband gebracht met duivelse praktijken. Ze zijn dus verdacht! Door deze te laten zien in de tweede prent worden ze op één lijn gezet met de demonen uit de eerste prent.

Waarom Jacobus als pelgrim en niet als apostel?

Jacobus triomfeert in de strijd tegen de duivel en het kwaad. Legendes zoals die over Jacobus, die macht heeft over demonen, worden beschouwd als echt gebeurd. Men neemt deze voetstoots aan als bewijsmateriaal voor de stelling, dat mensen demonen kunnen oproepen en dus met hen contact hebben, dat heksen mensen lam of ziek kunnen toveren en schade berokkenen, enz.

De keuze voor Jacobus en de legende over hem is dan ook goed te begrijpen. Doorgaans wordt Jacobus als pelgrim afgebeeld. Of hij nu ketterij bestrijdt of in nood wordt aangeroepen om stormen te bezweren. Dat blijkt o.a. uit het gebed op een miniatuur uit 1525, waar Jacobus als pelgrim een storm stilt. De prenten passen in de tijd van de Spaanse overheersing van de Nederlanden. De uitgever van deze prenten in Antwerpen wil de machthebbers van toen, die overheid en de kerk te vriend houden. Met het opvoeren van deze herkenbare Jacobus stralen de prenten een rechtgeaarde en katholieke visie op hekserij en toverij uit. Dat de naam van Hermogenes daarbij niet wordt genoemd en dat de magiër in deze prenten niet door Jacobus wordt vergeven en gered, doet er niet toe. De prenten gaan immers niet over hem, maar over het bestrijden van hekserij en ketterij. En dan zijn blijkbaar alle middelen geoorloofd.

(dit artikel van mijn hand is ook gepubliceerd in “Jacobsstaf” nr. 107 van september 2015, een uitgave van het Nederlands Genootschap van Sint Jacob)