Heiligen onderweg

...now browsing by category

 

Spiritualiteit tussen potten en pannen – Teresa van Ávila

Wednesday, October 12th, 2016

Als je vanuit Sevilla over de Via de la Plata naar Santiago de Compostela pelgrimeert, kun je niet om haar heen. In bijna alle kerken vind je wel een afbeelding van haar of tref je op de stoep voor de ingang van de kerk de woorden Solo Dios Basta aan. In 2015 werden bij gelegenheid van haar 500ste geboortejaar in talloze tijdschriften artikelen gepubliceerd en tentoonstellingen aan haar gewijd. In Nederland ontwierp een jonge glazenier een raam over haar persoon. Ik doel op Teresa van Ávila of Teresa de Jesús. Wie was deze vrouw, die veertig jaar na haar dood al heilig werd verklaard en in 1970 door paus Paulus VI tot eerste vrouwelijke kerkleraar werd benoemd?

Teresa de Cepeda y Ahumada werd op 28 maart 1515 in Ávila geboren en is op 4 oktober 1582 in Alba de Tormes (bij Salamanca) overleden. De dag erna werd ze begraven in de kapel van het convent van Alba. Omdat paus Gregorius XIII op die dag de juliaanse kalender verving door de gregoriaanse, werden tien dagen van de maand geschrapt en volgde op dag 4 de vijftiende oktober, wat later de feestdag van Teresa werd.

Haar tijd en omgeving

Na de definitieve overwinning van het katholieke koningsechtpaar Ferdinand van Aragon en Isabella van Castilië op de Moren (1492), kent Spanje een eeuw van grote voorspoed. De succesvolle ontdekking van Amerika zorgt voor een groeiende macht en rijkdom. Tegelijk neemt ook de macht van de kerk toe; en de afkeer van andersgelovigen. Konden onder de Moorse overheersing christenen en joden in beperkte mate hun geloof belijden, nu dient iedereen zich tot het katholicisme te bekeren of uit Spanje te vertrekken.

Teresa’s grootvader van vaders kant is een ‘converso’, een door die dwang tot het katholiek geloof overgestapte jood. Haar vader, een vermogend man, behoort tot de lagere adel. Ondanks die bekering en die positie wordt de familie niet echt als lid van de gemeenschap geaccepteerd. De gevoelige Teresa zal die achterstelling gemerkt hebben. Ze geeft de voorkeur aan de achternaam van haar katholieke moeder, de Ahumada, die overlijdt als ze 13 jaar is. Godsdienstig wordt ze streng katholiek opgevoed. Heiligenlevens en verhalen over kinderen die door de Moren zijn vermoord, spreken haar aan. Als kind bouwt ze met broers en zussen kluizenaarshutten in de tuin. Bij een strenggelovige oom van haar leest zij een mystiek getinte brief van de heilige Hieronymus en komt de gedachte op om kloosterzuster te worden. In deze omgeving groeit de leergierige Teresa uit tot een vrouw met veel gezichten: non, zoekster, feministe, stichteres, raadgeefster, schrijfster, dichteres, mystica, heilige.

kl-alba-de-thormes-teresa-openlucht

Spinrokken en rozenkrans

Al vroeg zoekt Teresa – tot ziek worden toe -naar haar juiste plek in het leven en twijfelt zij over haar toekomst. Moet ze ervoor kiezen een onderdanige getrouwde (huis-)vrouw te worden en een aan een man onderdanig leven te gaan leiden? Of zal ze kloosterzuster worden en daardoor juist de nodige vrijheid krijgen? Uiteindelijk kiest ze na enkele zware crisissen voor het laatste. Op 20-jarige leeftijd treedt ze toe tot het karmelietenklooster in Ávila. Het kloosterleven neemt in deze tijd een loopje met de oorspronkelijke regel van de berg Carmel. Zusters brengen een ‘bruidschat’ in, hebben eigen personeel in dienst, mogen buiten het klooster gaan en kunnen onbeperkt mensen ontvangen. Van een sober kloosterleven, waarbij de kloosterlingen het moeten hebben van giften, is geen sprake.

Deze situatie zal Teresa steeds meer tegen de haren instrijken en haar tot de overtuiging brengen dat het toch heel anders kan en moet. Onophoudelijk blijft zij door ascese, boetedoening en meditatie nieuwe wegen zoeken naar hoe een leven verbonden met God er uit moet zien. Voor haar is bidden niets anders dan een ontmoeting met een vriend. Je weet je door hem bemind en bent vaak met hem alleen. Al haar gedachten legt zij vast in haar boeken en aantekeningen. Deze ervaringen deelt ze met haar biechtvaders om alle twijfel bij haarzelf weg te nemen. Het is voor die tijd een zeldzaamheid, dat een vrouw over zichzelf schrijft en dat dan ook nog in de volkstaal doet. In de gesprekken met haar biechtvaders komt deze vrouwonvriendelijke visie geregeld tot uiting en wordt zij gevraagd teksten door te halen en gedachten uit haar hoofd te zetten. Vrouwen moeten zich met spinrokken en de rozenkrans bezighouden en zich om andere vormen van vroomheden maar niet bekommeren, zo is de overtuiging

God alleen is genoeg

In 1554 komt ze tijdens een meditatie bij een beeld van de lijdende en geboeide Jezus tot een ommekeer. Dat breekt haar hart, brengt haar tot intens huilen en geeft haar een grote innerlijke vrede. Ze voelt nu dat God met haar is. In haar visoenen en verschijningen is haar steeds meer duidelijk geworden, dat de idealen van afgeslotenheid en ruimte voor innerlijk gebed weer terug moeten komen. ‘Laat niets je verontrusten, laat niets je beangstigen, alles gaat voorbij. God verandert nooit. Geduld bereikt alles; wie God heeft ontbreekt het aan niets: God alleen is genoeg.’

kl-zafra-teresa

Teresa treedt uit het klooster. Het is God die haar gevraagd heeft nieuwe huizen van gebed te stichten. Samen met enkele andere vrouwen sticht zij in 1562 in Ávila het klooster Carmelo de San José (de orde van de Ongeschoeide Karmelietessen). Zij gaat zich Teresa de Jesús noemen. Nu kan zij het ideaal van de oude kluizenaarsorde zo zuiver mogelijk gaan beleven. Deze daad wordt haar door de plaatselijke kerk en haar vroegere kloostergenoten niet in dank afgenomen. Later begint ze ook te reizen en sticht ze, met als leidraad armoede, gebed en afzondering, in 20 jaar tijd vele kloosters in de grotere Spaanse steden. Dit doet ze vaak tegen de verdrukking in, want hervorming betekent voor haar versobering. Met hulp van Johannes van het Kruis zal zij ook mannelijke kloosters hervormen.

Van rups tot vlinder

Door Teresa’s brieven en haar boeken weten we veel over haar strijd, ervaringen en denken. In de beschrijving van haar zoektochten naar gebed en contact met God gebruikt zij heldere beelden, die ze vanuit persoonlijke ervaringen beschrijft. Zo maakt zij, die zich voor Gods ogen niet meer dan een worm vindt, de vergelijking met een vlinder. Die wordt als een worm of rups eerst tot een cocon. En daarna komt er een kleine witte vlinder uit tevoorschijn, die op een onvoorstelbaar unieke vlucht naar God toe wegvliegt. Van wat die vlinder beleeft of ervaart kan die worm geen weet hebben. Pas door te voltooien waarvoor je bent geschapen, aan de wereld te sterven en weg te gaan van jezelf kun je naar God toe, zo is haar inzicht. Spiritualiteit gebeurt door en in het leven, de ervaringen. Dat bidden niet los staat van het leven, maar een proces is dat het leven omvormt, blijkt uit een opgetekende verzuchting van Teresa: ‘Onze-Lieve-Heer is ook in de keuken te vinden, als je daar met potten en pannen in de weer bent.’

kl-zurbaran-teresa-van-avila

In haar latere Vida, haar levensbeschrijving, vergelijkt Teresa de verschillende stadia van bidden met vier manieren voor de hovenier om zijn tuin te besproeien. Dat kan hij doen door met veel inspanning water uit een put te halen (mondgebed), door met minder moeite met een scheprad water omhoog te brengen (inwendig gebed), door – nog makkelijker – te profiteren van water vanuit een rivier of beek (gebed van inkeer). Maar het beste is via de regen, want dan besproeit de Heer zelf de tuin (gebed van vereniging).

In een ander boek over de stadia van het mystieke leven, De Innerlijke burcht, beschrijft ze de fasen van de mystieke weg weer op een andere manier. Hierin vergelijkt zij de ziel met een kristallen burcht, die zeven kamers telt. In het binnenste vertrek woont God. Maar voor men bij Hem is, moet men eerst door de andere zes vertrekken, waarin men te maken krijgt met wereldse, duivelse machten.

Naast de vele brieven zijn andere werken van haar: Weg der volmaaktheid (over het gebedsleven), Boek der kloosterstichtingen en Constituties. Haar werk wordt gerekend tot de klassieke Spaanse letterkunde.

Open boek

Teresa sterft een rustige en vreugdevolle dood, ‘want ik sterf omdat ik niet sterf’. Op het moment van sterven wordt haar hart brandend doorboord, zoals zij eerder al eens in een visioen had waargenomen hoe een engel met een vurige pijl haar hart doorboorde. Hierin ligt een duidelijke verwijzing naar en overeenkomst met Jezus aan het kruis.

Paus Paulus V verklaarde Teresa de Jesús op 24 april 1614 zalig. Op 12 maart 1622 volgt door Gregorius XV haar heiligverklaring als ‘Mater spiritualium’ (moeder van hen die een geestelijk leven leiden). Dit gebeurt tegelijk met nog vier Spanjaarden: Isidorus van Madrid , Ignatius van Loyola, Franciscus Xaverius en Philippus Neri. In 1617 riep het Spaanse parlement haar uit tot patrones van Spanje, naast Santiago. Daarnaast is zij patrones van de karmelietenorde, van passementsmakers (ze stelde handenarbeid verplicht in haar klooster), van schoenvetermakers, Spaanse schrijvers, van lijders aan hoofdpijn en hartkwalen. Ze wordt aangeroepen door hen die behoefte hebben aan genade en voor hulp om goed te kunnen bidden.

Teresa wordt afgebeeld als doctor van de kerk, met een open boek en een veer om te schrijven. Ook zien we haar met een duif in de buurt of op de schouder, die de H. Geest symboliseert. Ook in bruine pij met bruin scapulier, witte halssluier, zwarte bovensluier en witte mantel (karmelietes). Soms ook draagt ze een baret, ketting of insignes van het eredoctoraat van de universiteit van Salamanca.


Anna Rijken, met grote interesse in theologie en mystiek,
maakte dit Teresa-raam in 2015 
als eindwerkstuk van haar opleiding.
Eind 2015 is het in de doopkapel 
van de Petrusbasiliek in Boxmeer geplaatst.
Van boven naar beneden ziet men:
+ het wapen van de geschoeide Karmel;
+ de duif die verwijst naar het door de Geest 
geïnspireerde schrijverschap;
+ de rups (in het gras onder) en de vlinder verwijzen 
naar de transformatie van de ziel op weg naar God;
+ Teresa als jonge vrouw met boek 
en schrijversveer en kerklerares;
+ de regen in de tuin van de ziel;
+ de rozen als symbool van de liefde 
tussen de ziel en God;
+ het levende water in het derde gebedsstadium;
+ de ziel als een kristallen burcht.

 

(dit artikel van mijn hand is ook gepubliceerd in “Jacobsstaf” nr. 111 van september 2016, een uitgave van het Nederlands Genootschap van Sint Jacob; de foto’s zijn door mij gemaakt)

Een halve mantel voor een naakte bedelaar – Martinus van Tours

Tuesday, November 10th, 2015

Een man te paard, die met zijn zwaard zijn mantel doormidden klieft en de helft overhandigt aan een zo goed als naakte bedelaar. De man te paard is de Romeinse militair Martinus (wij kennen hem in Nederland vooral onder de naam Sint Maarten). Het afgebeelde voorval – een duidelijk beeld van naastenliefde – zou zich hebben afgespeeld bij de poort van de stad Amiens. De nacht daarop krijgt Martinus een droom, waarin Christus verschijnt, gekleed met het mantelstuk. Hij vertelt aan Martinus: “Wat je gedaan hebt voor die bedelaar, heb je voor mij gedaan.” Martinus zit in deze afbeelding hoog te paard, verheven boven de arme. Toch heeft hij vanuit die positie oog voor de ‘mindere’. Daarmee is de grondhouding, die in alle verhalen over Martinus naar voren komt, geschetst.

HK-Martinus_UtrechtTijdsbeeld in eerste helft vierde eeuw

Door toedoen van keizer Constantijn de Grote (vaak hoog zittend op een paard afgebeeld!) is er in het westen van het Romeinse Rijk sinds 306 volledige godsdienstvrijheid. Dat betekent dat er voor het jonge christendom een hele wereld te winnen is op het Keltisch en Romeins heidendom. De kerk bestaat als instituut nog nauwelijks. In Rome begint men aan de bouw van de Sint Pieter. De leer van de kerk is nog nauwelijks in leerstellingen, dogma’s, gedefinieerd en de hiërarchie onder de geestelijkheid staat nog evenmin vast. In de zoektocht naar identiteit en aanhang groeit de onderlinge concurrentie tussen groeperingen die allemaal beweren, dat zij het juiste geloof aanhangen. Vooral op het platteland in het Gallië van de vierde eeuw is nog veel bekeringswerk te verrichten. Binnen dat kader komt Martinus naar voren.

Over het leven van Martinus

Hij moet rond 316 (of 336?) uit Romeinse ouders geboren zijn in het huidige Hongarije. Hij wordt Martinus genoemd, naar de Romeinse oorlogsgod Mars (= strijder). Op jonge leeftijd heeft hij al belangstelling voor de opkomende godsdienst, het christendom. Hij wordt net als zijn vader militair in dienst van het Romeinse leger en trekt op jonge leeftijd als ruitersoldaat naar Gallië. Daar laat hij zich op achttienjarige leeftijd dopen en verlaat hij een aantal jaren later het leger. Hij komt in contact met bisschop Hilarius van Poitiers (zie over hem Jakobsstaf nr 102). Met hem sticht hij in 361 in Ligugé bij Poitiers het eerste klooster in Frankrijk en van het hele westen. In dit klooster ligt de nadruk op ascese en missionering. Omdat Martinus overal rondtrekt om mensen tot het christendom te bekeren, is hij alom bekend. En vooral zeer geliefd vanwege zijn oprechte aandacht voor de medemens. In 371 wordt hij door de bevolking van Tours gekozen tot bisschop. Anderen, onder wie enkele bisschoppen, zijn tegen zijn benoeming vanwege zijn ‘verachtelijke optreden, vuile kleren en onverzorgde haren’. Ook als bisschop kiest hij voor eenvoud van leven. In plaats van in een bisschoppelijk paleis verblijft hij liever in het klooster, dat hij sticht in Marmoutier bij Tours. Vandaaruit zet hij ook zijn missiewerk voort. Daarbij blijft hij trouw aan zichzelf en zijn opdracht. Hij komt daardoor regelmatig in conflict met andere bisschoppen en met keizer Maximus in Trier. Hij doet niet mee met hun corruptie en politiek gekonkel. Terwijl de andere bisschoppen zich door de keizer laten inpalmen, blijft Martinus zich verzetten tegen diens bemoeienissen met geloofskwesties. Op 8 november 397 overlijdt Martinus in Candes, waar hij net een twist onder de geestelijken heeft weten op te lossen. Op 11 november wordt hij in Tours onder grote belangstelling begraven.

HK-Martinus_Fromista

Bronnen over Martinus: een echte leerling van Jezus

Van Martinus is eigenlijk weinig met zekerheid bekend. Wat wij van zijn leven weten is te danken aan zijn tijdgenoot Sulpicius Severus (†ca. 420/25), die Martinus persoonlijk gekend heeft. Nog voor de dood van Martinus beschrijft hij al diens leven, zijn idealen en daden in de Vita Sancti Martini. Sulpicius wil laten zien hoe heilig Martinus was. Hij laat hem naar voren komen als een man die gezag uitstraalt, maar die ook nederigheid kent. Met die eigenschappen maakt hij Martinus tot een man van God, een brenger van het christelijk geloof. En als iemand, die zijn leven lang strijdt tegen de duivel en die beschikt over genezende krachten. Hij is dus bepaald niet objectief. Zijn hele boek heeft maar één boodschap: Martinus is een echte leerling van Jezus. Evenals de apostelen destijds is Martinus door Jezus zelf uitgekozen om het evangelie te verkondigen onder de heidenen. De boodschap van Sulpicius is als het ware: “Met Martinus zijn de tijden van het evangelie in ons midden teruggekeerd.” Martinus wordt gezien als de grondlegger van het christendom in Frankrijk en krijgt de bijnaam ‘apostel van Frankrijk’.

Wonderdoener en volksheilige

Dat Martinus vanaf de vroege middeleeuwen is uitgegroeid tot een van de meest populaire heiligen, is ook te danken aan het in die periode wijd verspreide boek van Gregorius van Tours (538-594). Deze bisschop van Tours heeft zowel in zijn Historiae als in zijn Libri IV de virtutibus sancti Martini episcopi vooral de wonderkracht van de heilige na diens dood beschreven.

Uit deze beschrijvingen stammen de legenden over Martinus. Ze verhalen o.a. over hoe hij het leger verlaat, doden ten leven wekt, bisschop wordt, een verlamd meisje geneest, twee bezetenen bevrijdt, een melaatse begroet, bij de keizer aan tafel tijdens het maal de drinkbeker aan zijn metgezel overhandigt in plaats van aan de keizer, goed en kwaad onderscheidt, een genezing verricht bij de overbrenging van zijn lijk, en over de strijd die na de dood van Martinus oplaait tussen Poitiers en Tours.

Martinus wordt beschouwd als de eerste heilige niet-martelaar. Hij is een echte volksheilige: een weldoener die uiterst sober leefde en tolerantie predikte, in tegenstelling tot de praalzucht van andere bisschoppen. Al snel na zijn dood komt de verering op gang. In 650 wordt hij door het Vaticaan heilig verklaard. In de 7e eeuw wordt er in Tours een nieuwe basiliek aan hem gewijd. In zijn nog bestaande graf ligt vandaag de dag nog slechts een enkel botstuk. De overige botten werden verkocht ter verering als relikwie (onder meer in de Dom van Utrecht). Feit is dat het maar weinig heiligen is gelukt om zo veel indruk te maken.

Cappella

Dat de verering van Martinus zich na zijn dood snel verspreidde blijkt ook uit het volgende: Zijn halve mantel (in het Latijn ‘cappa’, verkleinwoord ‘cappella’) werd een reliek. Men geloofde graag dat het dezelfde mantel was die hij destijds met de arme man van Amiens had gedeeld. Het kledingstuk genoot dan ook een grote verering. Als
de Frankische koning ten strijde trok, nam hij Martinus’ mantel als een kostbare reliek mee in de hoop dat deze hem de overwinning zou brengen. Tot de nalatenschap van Martinus behoort daardoor ook het woord ‘kapel’. De ruimte in Tours waarin zijn mantel werd bewaard ging al gauw ‘cappella’ heten en de bewaker de ‘cappellanus’. ‘Kapel’ of ‘chapelle’ werd sindsdien het woord voor ‘devotieplaats’ of ‘bedehuisje’.

HK-Martinus in Mérida

Verstopt in een ganzenhok

Martinus wordt op verschillende manieren afgebeeld. Naast de meest bekende afbeelding van hem als Romein in harnas zien we hem ook als bisschop (soms met een bedelaar aan zijn voeten). Ganzen of zwanen komen ook vaak voor. Zij verwijzen naar het pluimveehok waarin hij zich had verscholen. Volgens een overlevering vond hij zich niet waardig genoeg voor het ambt van bisschop en verstopte hij zich in een ganzen- of zwanenhok. Maar toen zijn aanhangers hem gingen zoeken, gingen de ganzen te keer waardoor zijn schuilplaats ontdekt werd. Zo kwam het dat hij alsnog tot bisschop gewijd kon worden.

In glasramen in de kathedraal van Tours worden verschillende (hierboven genoemde) verhalen over Martinus uitgebeeld. Zo ook op steenreliëfs uit 1890 in de Pandhof grenzend aan de Utrechtse Domkerk. Zijn bisschoppelijke statuur in de San Martin in Fromista is daar voor de hand liggend. Maar meestal zien we hem in de mantelscène. Opvallend is de 16e-eeuwse geschilderde afbeelding in een praalgraf in de crypte onder de basiliek van Sint Eulalia in het Spaanse Mérida. In de naar hem genoemde kathedraal in Ourense komt de mantelscène wel vier keer voor, waarvan één keer op een heel bijzondere plek, namelijk bovenin de ‘Portico de la Gloria’. Natuurlijk ontbreekt hij niet bij de ingang van de naar hem genoemde abdij in Ligugé.

HK-Martinus_Ourense Portico de la Gloria

Beschermheilige van dronkaards en geheelonthouders

De betekenis en uitstraling van Sint Martinus blijkt ook uit de naamgeving aan veel dorpen en kerken. Er zijn – om enkele getallen te noemen – in Frankrijk meer dan 1600 kerken en kapellen naar hem genoemd, in Spanje meer dan 300, in België meer dan 200 en in Nederland ruim 100.

Sint Martinus is de patroon van Frankrijk en Hongarije. Ook is hij beschermheilige van Utrecht sinds Willibrord de eerste kerk aan hem toewijdde. Het wapen van die stad (een rood-wit schild) zou verwijzen naar de rode kleur van de mantel en de witte kleur van de onderrok van de heilige, die tevoorschijn kwam toen hij de helft van zijn mantel had afgestaan aan een bedelaar. Ook FC Utrecht hult zich in dezelfde kleuren.

Sint Martinus is ook de beschermheilige van de stad Groningen (Martinitoren). Ook de stad Tours in Frankrijk heeft Sint Martinus als schutspatroon. De stad is startplaats van één van de vier pelgrimsroutes naar Santiago de Compostela, de Via Turonensis.

Daarnaast is Sint Martinus patroon van soldaten, cavaleristen, ruiters en ridders; van hoef- en wapensmeden; van wevers, ververs, kleermakers, ceintuurvlechters, handschoenenfabrikanten, hoedenmakers, borstelbinders en kuipers; van herders, molenaars, wijnbouwers, waarden en kasteleins en van hoteliers; van stadsomroepers; van reizigers, armen en bedelaars; van gevangenen; van dronkaards (mits bekeerd) en geheelonthouders; van huisdieren, paarden, ganzen. Hij wordt aangeroepen tegen oogaandoeningen, slangenbeten en de huidziekte roos. Ook wordt zijn voorspraak gevraagd voor het groeien van een goede oogst.

HK-Saint-Martin de Lilugé

St-Maartensvasten en Sint-Maartensvuren

De feestdag van Martinus valt op 11 november. Vanaf 480 liet Sint Perpetuus van Tours op die dag de advent, St-Maartensvasten, beginnen. Deze 40-daagse vasten van Martinus (later vervangen door een advent van vier weken) duurde van 11 november tot Epifanie (acht weken minus de zaterdag en zondag). Om zich op die vasten voor te bereiden at men in de daaraan voorafgaande dagen gans en werd er nog eens flink gedronken. Het gebruik is een kerstening van de Germaanse herfst- en oogstfeesten, waarbij op deze dag de nieuwe wijn gedronken werd en het vee geslacht. Dit gebeurde met lofliederen en vreugdevuren ter ere van Wodan. De Sint-Maartensvuren herinneren daar nu nog aan. Carnavalsverenigingen openen op deze dag, de elfde van de elfde (tweemaal het gekkennummer) het carnavalsseizoen.

(dit artikel van mijn hand is ook gepubliceerd in “Jacobsstaf” nr. 107 van september 2015, een uitgave van het Nederlands Genootschap van Sint Jacob; de door mij gemaakte foto’s zijn achtereenvolgens afkomstig uit Utrecht, Fromista, Mérida, Ourense en Lilugé)

Jeanne d’Arc: speelbal van politiek en kerk

Friday, April 3rd, 2015

Terwijl ik in de geschiedenis duik om te achterhalen wie Jeanne d’Arc was, kom ik haar in de actualiteit van januari 2015 tegen. En wel op een fragment van een spotprent in Le Monde naar aanleiding van de aanslag op de makers van het tijdschrift Charlie Hebdo. Op deze prent staat zij afgebeeld als een rondborstige vrouw met in haar hand een levensgroot potlood, waaraan de Franse ‘tricolore’ fier wappert. Zo lijkt zij niet alleen – zoals ‘iedereen’ in die dagen – vóór vrijheid van meningsuiting, maar ook een richtingwijzer voor de Fransen. Wat verder rondkijkend in het Frankrijk van de vorige eeuw blijken politici haar vaker voor hun karretje gespannen te hebben. En dat geldt ook voor het Frankrijk van nu. Zo stelde onlangs het Front National met een beroep op Jeanne d’Arc dat zij het meest Frans van alle Fransen zijn. Wie was die Jeanne d’Arc toch, dat men zich zo met haar identificeert?

Zij is duidelijk een nationale heldin. Op Franse pleinen komen we haar vaak tegen, gezeten op een paard. Zij houdt dan een vaandel oJeanne d'Arc_ 15e eeuw (uit een boek)mhoog of een opgeheven zwaard. Op andere plaatsen (in kerken) zien we haar afgebeeld als jonge vrouw. Soms is zij gekleed in mannenkleren, dan weer in militair tenue met harnas, lans of zwaard. Als zij een helm draagt, dan is dat met open vizier. Soms staat ze op de brandstapel of beeldt men visioenen uit. Volgens de geschiedenisboeken heeft zij in 1429 voorkomen dat Frankrijk door de Engelsen zou worden ingelijfd.

Van eenvoudige komaf

Jeanne’s korte openbare leven van amper twee jaar vindt plaats binnen politieke en kerkelijke strubbelingen in de Honderdjarige Oorlog tussen Engeland en Frankrijk. Binnen de kerk rommelt het eveneens stevig. Er zijn drie pretendenten voor het pausschap, in Rome, Avignon en Spanje. Jeanne d’Arc is op 6 januari 1412 in het dorp Domrémy in Lotharingen geboren binnen een eenvoudig milieu. Haar vader heeft een leidende positie in de dorpsgemeenschap. Haar moeder wordt Romée (= van Rome) genoemd, een bijnaam voor iemand die een lange pelgrimstocht had ondernomen. Dat wijst op een stevige gelovige opvoeding.

Rond haar 12e begint Jeanne stemmen te horen, o.a van de aartsengel Michael (een voor Karel VII belangrijke beschermheilige, naar wie een van zijn belangrijk bezittingen, de Mont Saint-Michel vernoemd is). Andere stemmen maken zich bekend als Sint Margaretha van Antiochië en Sint Catharina van Alexandrië (twee in die tijd favoriete heiligen, die nooit bestaan hebben!). Later geven ze haar de opdracht de bezetting van Orleans op te heffen, de kroonprins Karel VII in Reims te laten kronen en de Engelsen uit het land te verjagen. Om die raad op te volgen, verlaat zij begin 1429 op 17-jarige leeftijd haar ouderlijk huis.

 De Maagd van Orléans

Jeanne krijgt de opdracht om als zieneres Frankrijk te bevrijden. Daarvoor moet ze contact opnemen met de kroonprins van Frankrijk, Karel VII. Deze twijfelt aan zijn macht, maar door Jeanne’s overtuigingskracht wordt hij gesterkt om de Engelsen uit Frankrijk te verdrijven. Jeanne staat erop mee te Harry Keijsers_Jeanne_Sint Jozefkerk Deurne-kadervechten en wordt een vrouwelijke ridder in mannenkleding. Ze kent een grote innerlijke drijfveer. “Ik ben door God gestuurd, dus jullie moeten mij gehoorzamen,” is haar boodschap.Onder aanvoering van Jeanne wordt het door de Engelsen bezette Orléans ontzet en worden Tours, Auxerre en Troyes bevrijd. Dan is de weg vrij voor Karel VII om op 17 juli 1429 in aanwezigheid van Jeanne in de kathedraal van Reims officieel door kerkelijke en wereldlijke machthebbers tot koning van Frankrijk te worden gekroond.

Door deze beslissende rol levert Jeanne als jong meisje een prestatie die in de vijftiende eeuw opmerkelijk is voor een vrouw. Zij is in één klap de nationale heldin van Frankrijk en krijgt de eretitel ‘de Maagd van Orléans’ (La Pucelle d’Orléans). Ze wordt in die tijd vergeleken met grootse vrouwenfiguren uit de geschiedenis, zoals de oudtestamentische Debora, Judith en Esther. Haar maagdelijkheid past perfect binnen de profetie: ‘Er komt een maagd die Frankrijk zal redden’. Deze maagd zou gekleed zijn in mannenkleren en komen uit een eikenbos in Lotharingen. Voor Jeanne heeft die maagdelijkheid te maken met haar goddelijke zending. Het Frans kent een taalkundig onderscheid voor ‘maagd-zijn’. Maria is bijvoorbeeld voor altijd maagd: ‘vierge’. En Jeanne is op dat moment maagd: ‘pucelle’.

 Veroordeeld tot de dood op de brandstapel

Harry Keijsers_Jeanne d'Arc_Compiegne_KaderOp onze pelgrimstocht naar Santiago de Compostela komen we Jeanne tegen in de kerk van St Jacques in Compiègne. Een kerkraam uit 1880 laat zien hoe zij hier met haar manschappen indertijd te communie is gegaan. Een kerkfolder vertelt, dat zij op 23 mei 1430 door een kleine, nu dichtgemetselde, deur deze kerk is binnengegaan om er te bidden. Op diezelfde dag wordt zij door troepen van de met Engeland verbonden hertog van Bourgondië gevangen genomen en aan de Engelsen voor 10.000 pond verkocht. Karel VII onderneemt geen pogingen om haar te bevrijden.

De Engelsen brengen Jeanne in Rouen voor een Engels georiënteerde kerkelijke rechtbank, die elk respect en menselijke waardigheid aan hun laars lapt. Jeanne wordt belachelijk gemaakt en gewantrouwd vanwege de stemmen die ze hoorde. Men beschuldigt haar van het weglopen van haar ouderlijk huis, het ontkennen van de kerkelijke autoriteit en het dragen van mannenkleren. De verhoren beginnen in januari 1431. Aanvankelijk weigert Jeanne de beschuldigingen in dit oneerlijke proces toe te geven, maar na dreiging met marteling geeft ze toe stemmen gehoord te hebben.

Op 24 mei veroordeelt de kerkelijke rechtbank haar tot levenslange gevangenisstraf, omdat ze een ketter is en de autoriteit van de kerk ondermijnt. Ze weigert zich namelijk te onderwerpen aan de zgn. strijdende kerk (de paus, de plaatsbekleder van God op aarde, de kardinalen en prelaten van de kerk, de geestelijkheid en alle goede christenen en katholieken). Ze stelt haar eigen gezag op basis van direct contact met God boven het gezag van de kerk. Dat is ketterse hoogmoed. Toch blijven het ontvangen van de communie en het bijwonen van de mis essentieel voor Jeanne.

Maar de Engelsen zijn niet tevreden met deze veroordeling door de kerkelijke rechtbank en laten haar opnieuw vervolgen voor het dragen van mannenkleren. Door haar in dit politiek gemotiveerde proces te veroordelen ondermijnen ze ook de legitimiteit van de kroning van de Franse koning Karel VII. Die zou dan aan de macht gekomen zijn met hulp van een zieneres, afvallige, leugenaarster, godslasteraar en verdachte van ketterij. Uiteindelijk wordt Jeanne beschuldigd van ketterij en veroordeeld tot de dood op de brandstapel. Op het Place du Vieux-Marché in Rouen staat de 19-jarige Jeanne op 30 mei 1431 op de brandstapel. Aan een priester vraagt ze of hij een kruis omhoog wil houden boven het vuur. Als de vlammen omhoog slaan, schreeuwt Jeanne drie keer ‘Jezus’. Haar as wordt in de Seine gegooid om te voorkomen dat er rond haar asresten een verering zal ontstaan. Op dit plein in Rouen steekt nu het Kruis van de Rehabilitatie hoog de lucht in; een nationaal monument ter ere van deze Franse volksheldin en martelares. Tegen de buitenmuur van de moderne Église Ste-Jeanne d’Arc uit 1979 bevindt zich een steensculptuur (ca 1980), die Jeanne op de brandstapel uitbeeldt.

 Toch in ere hersteldHarry Keijsers_Jeanne_Rouen-kader

Al die tijd heeft Karel VII zich afzijdig gehouden en niets ondernomen ten gunste van Jeanne. Pas als hij Parijs in handen krijgt en in Rouen kan beschikken over de processtukken, kan hij de medeplichtigen van de Engelsen aan de universiteit van Parijs ter verantwoording roepen. Maar onder druk van de Engelse diplomatie wil het pauselijk hof in Rome niets weten van een herziening van het proces. Dat gebeurt pas bij het aantreden van paus Calixtus III. Van hem krijgt Jeanne op 7 juli 1456 de titel van martelares.

Uiteindelijk wordt Jeanne in 1909 zalig verklaard. De heiligverklaring door paus Benedictus XV tijdens een grootse plechtigheid in de Sint Pieter te Rome in 1920 heeft een politieke achtergrond: Het is een verzoeningsgebaar van het Vaticaan tegenover Frankrijk, dat daarop zijn in 1904 verbroken betrekkingen met de kerkelijke staat weer herstelt. De kerk hoopt met deze heiligverklaring een tegenzet te bieden aan de opkomst – sinds midden negentiende eeuw – van het modernisme.

Ook na haar dood blijft Jeanne speelbal van politiek en kerk. Zij is én heilige én een nationale figuur. Het is juist die combinatie die mensen inspireert en die anderen aanzet haar voor zich op te eisen om kracht te geven aan hun beweging of overtuiging.

Haar leven heeft veel dichters, toneelschrijvers en duizenden kunstenaars geïnspireerd. Daarvan getuigen tal van boeken, muziekstukken, beeldhouwwerken en films (zie het artikel van Jasper Koedam over heiligen in films in Jacobsstaf 104).

 Jeanne wordt gerekend tot de patroonheiligen van Frankrijk samen met Dionysius van Parijs, Martinus van Tours, de heilige Lodewijk en Theresia van Lisieux. Verder is zij patrones van de steden Orléans en Rouen, van soldaten, van vrouwen in nood, van radio en telegrafie (vanwege de stemmen die ze hoorde). ■

(dit artikel van mijn hand is ook gepubliceerd in “Jacobsstaf” nr. 105 van maart 2015, een uitgave van het Nederlands Genootschap van Sint Jacob; de foto’s zijn door mij gemaakt)

Een held onder de heiligen – Sint Rochus

Friday, December 26th, 2014

Opeens gaat de voordeurbelRochusbeeld_Adrie

Ons ontbijt zit er op en we zijn bezig de laatste spullen in onze fietstassen te stoppen. Vandaag starten we onze pelgrimstocht naar Santiago. Als de voordeurbel gaat, staat Adrie aan de deur. Hij komt ons uitzwaaien. Terloops vertelt hij, dat hij pas een mooi Jacobusbeeldje heeft gekocht. Trots laat hij er een foto van zien. “Weet je zeker, dat het een beeld van Jacobus is?” vraag ik. “Ja, kijk maar, hij heeft een pelgrimsmantel, een hoed met jakobsschelp en een staf met kalebas bij zich!” “Maar … Jacobus heeft toch geen pestbuil op zijn dijbeen en houdt zijn mantel toch niet omhoog. En … wat doet die hond met dat brood daarbij? Volgens mij is dit een beeldje van Sint Rochus!”, breng ik in. Adrie kijkt me vragend aan.

Deze twee heiligen, Jacobus en Rochus, worden vaak met elkaar verward. Niet zo gek als hun direct in het oog springende attributen zo sterk overeenkomen. Die verwarring speelt ons onderweg naar Santiago de Compostela ook soms parten. Goed kijken is dus het devies. Heiligen zijn te herkennen aan hoe ze gekleed zijn, aan wat ze in de hand houden of aan wat ze bij zich hebben. Al die attributen verwijzen naar verhalen en legenden over deze heiligen. Daarmee vertellen ze belangrijke zaken over hen en hoe men hen ervaren heeft.

Rochus in afbeeldingen

Rochus_Doornik_Harry Keijsers

Rochus wordt afgebeeld als pelgrim, met een staf met kalebas in de hand, een –soms korte – pelgrimsmantel, een hoed met daarop een schelp of soms sleutels (pelgrim naar Rome). Hij is direct herkenbaar, omdat hij zijn kleed optrekt en naar een pestbuil op zijn bovenbeen wijst, nu eens met zijn linker- en dan weer met zijn rechterhand, al naargelang op welke dij die buil zit. Doorgaans heeft hij een hond bij zich, die brood in de bek draagt of zijn wond likt. Soms staat er een engel bij (die hem verzorgt). Een enkele keer is een rood kruis op de borst zichtbaar. Er bestaat ook een ‘kuise Rochus’. Bij dat beeld zit er een gat in zijn kleed, waardoor de wond zichtbaar is. Soms heeft Rochus een strook bij zich met erop: ‘Eris in peste patronus’ (Gij zult de beschermer tegen de pest zijn). Soms vergezelt een pestlijder hem of wordt hij afgebeeld, terwijl hij een pestlijder verzorgt.

Dat een heilige wordt afgebeeld met een zichtbare ziekte of handicap zoals Rochus – die wijst op de wond op zijn dijbeen – is erg ongebruikelijk. Juist dat heeft ongetwijfeld bijgedragen aan zijn populariteit. Door het manhaftig tonen van die wond riep hij verbondenheid op met mensen, die leden aan de pest of een besmettelijke ziekte. Tegelijkertijd verwees Rochus zo naar het lijden van Jezus Christus, die immers zijn lot ook trouw had gedragen. Zo gaf deze afbeelding aan mensen hoop op genezing.

Wie was die Rochus?

Echt historische gegevens zijn er nauwelijks over Rochus. Er bestaat een levensbeschrijving van hem in ‘Vita Sancti Rochi’  van Francesco Diedo uit Venetië (1478, een eeuw later dan Rochus leefde!). Daaruit leren we, dat Rochus in 1295 in Montpellier geboren is uit een aanzienlijke familie. Links op zijn borst blijkt hij een moedervlek in de vorm van een rood kruis te hebben. Als zijn ouders gestorven zijn – hij is dan twintig jaar – deelt hij net als Franciscus van Assisi zijn bezittingen met de armen en wordt hij bedelaar en pelgrim. Op pelgrimsreis naar Rome wordt hij geraakt door het leed van de pest, die dan in Italië heerst. Hij verzorgt de zieken en geneest hen door gebed en door het maken van het kruisteken. Op de terugreis vanuit Rome raakt Rochus in Piacensa bij zijn zorg voor de pestlijders zelf besmet. Hij wordt uit de stad verbannen en trekt zich terug in een bos. Daar kan hij zich in leven houden door het brood, dat de hond van een vooraanstaand persoon uit de buurt hem dagelijks brengt. Hij wordt door een engel verpleegd. Door zich te wassen met het daar voorhanden bronwater geneest hij. Als hij eenmaal terugkomt in Montpellier, herkent zelfs zijn oom hem niet meer. Vanwege de oorlog, die er heerst, wordt hij verdacht van spionage en komt hij in de gevangenis terecht. Daar sterft hij 5 jaar later op 16 augustus 1327. Pas dan herkent men hem aan zijn moedervlek. Volgens een latere legende zou men onder zijn hoofd een plaat hebben gevonden met daarop in gouden letters geschreven, dat God Rochus’ gebed had verhoord en dat iemand, die Sint Rochus aanroept, door geen enkele pestziekte zal worden getroffen.

Onderzoeken (m.n. door Pierre Bolle) aan het begin van deze eeuw komen tot de conclusie, dat Rochus vele jaren later geleefdRochus_Lier_Harry Keijsers moet hebben. Tussen 1295 en 1327 woedde in West-Europa namelijk geen pest. En in diezelfde periode bevond het pauselijke hof zich in Avignon en niet in Rome. De
pest waarmee Rochus te maken kreeg, teisterde Europa pas vanaf december 1347. Volgens die onderzoeken moet Rochus geboren zijn tussen 1346 en 1350 en gestorven tussen 1376 en 1379. Ook wordt nu algemeen aangenomen, dat hij niet gestorven is in Montpellier, maar in Voghera in Italië. Er zijn gegevens gevonden, waaruit blijkt, dat in de nacht van 15 op 16 augustus tussen 1376 en 1379 een gevangene van Franse herkomst, die een zekere faam van heiligheid had, na vijf jaar gevangenschap in Voghera stierf. Ook is in die plaats vanaf 1391 sprake van een feest ter ere van Rochus van Montpellier. Vast staat tevens dat de relieken van Rochus in 1483 of 1485 van Voghera naar Venetië werden overgebracht. Daar ligt hij nu begraven in de kerk van San Rocco.

Vanaf eind 15e eeuw neemt de verering van Rochus in Europa een grote vlucht. Als een patroonheilige van slachtoffers van de pest genoot hij grote bewondering onder het volk. Via bedevaarten langs de handelsroutes naar Venetië kwam die verering ook naar onze streken. We vinden daardoor in heel Europa Rochus-kapelletjes met erbij horende bedevaartplaatsen, gasthuizen en broederschappen. De groei van Rochus’ verering is goed te begrijpen als men beseft dat de pest, in welke vorm dan ook, Europa ruim vier eeuwen heeft geteisterd.

Hoewel nooit officieel heilig verklaard werd de verering van Rochus wel goedgekeurd op het concilie van Konstanz (1414-1418). Nadat hij al twee eeuwen lang in de vieringen van de kerk werd aangeroepen, heeft paus Gregorius XIV (1590-1591) hem uiteindelijk toegevoegd aan het Martyrologium Romanum, de lijst van martelaren en heiligen die door de Rooms-katholieke Kerk erkend worden.

Rochus als beschermheiligeRochus_Cacabelos_Harry Keijsers

Rochus is één van de pestheiligen. Een pestheilige (er zijn er wel een 60, onder wie naast Rochus vooral Sebastiaan en Antonius Abt de belangrijkste zijn) is een bijzondere heilige in de Rooms-katholieke Kerk, die werd aangeroepen als er een pestepidemie heerste. Rochus (hij verdrong Sint Job – die van de mestvaalt – als patroon) is niet alleen beschermheilige tegen de pest, maar ook tegen puisten, schurft, voetpijn, zweren en andere besmettelijke ziektes van mens en dier, zoals hondsdolheid en veepest. In Frankrijk zegende de priester op de feestdag van Rochus, 16 augustus, door boeren meegebrachte kruiden. Die werden door het veevoer gemengd om daarmee de beesten te vrijwaren voor besmettelijke ziekten. Verder is Rochus ook nog patroon van gevangenen, zieken, ziekenhuizen, gasthuizen, hospitalen, artsen, chirurgen, apothekers en doodgravers; ook van de kunsthandelaars; boeren, hoveniers, hopbrouwers (in België) en wijnbouwers (in Duitsland); bezembinders, stratenmakers, schrijnwerkers en vuurwerkmakers; en daarnaast nog van zeevaarders en wagenmakers. Rochus moet wel een duizendpoot zijn!

Zijn naam is wereldwijd in katholieke landen (vooral in Italië) verbonden met namen van ontelbare dalen, streken, straten, parochies en plaatsen (natuurlijk o.a. Montpellier en Venetië). In België kent men in augustus op enkele plaatsen een Rochus-ommegang of -paardenstoet.

Rochus versus Jacobus?

Rochus_St Quentin_Harry Keijsers

Wat hebben Jacobus en Rochus met elkaar? In het midden van de 14de eeuw woedde de grootste pestepidemie van Europa waarbij een kwart van de Europese bevolking omkwam. Tijdens deze en volgende epidemieën werd Rochus als beschermheilige tegen de pest meer en meer aangeroepen. Hierdoor en mede door de dalende belangstelling voor Santiago-pelgrimages ging de populariteit van Rochus die van Jacobus steeds meer overtreffen. Niet alleen in de harten van mensen, maar ook in kerken en kapellen moest Jacobus plaats maken voor Rochus. Oorspronkelijke Jacobus-bedehuizen werden voortaan plaatsen van Rochus-verering! Kreeg Rochus daarom de traditionele pelgrimsdracht? Was dit een hommage aan Jacobus of was het omdat Rochus zelf ook pelgrim was geweest? Zeker is dat er weinig heiligen zo dicht bij Jacobus gestaan hebben en nog staan als Rochus.

Terug naar de voordeurbel.

Waar hebben wij Rochus gevonden? De zoektocht naar beide heiligen is een vast onderdeel van onze pelgrimstocht geworden. Ik laat hier enkele vindplaatsen de revue passeren. We kwamen die plekken tegen op de St.Jacobsfietsroute van Cleemans Sweerman. Zo treffen we in Lier in de heldere St.Jacobskapel een klein beeldje van een vrolijke Jacobus aan. En een paar honderd meter verder zien we boven de Gevangenenpoort een beeld van Rochus. In de St.Jacobskerk in Doornik staat een beeld van Rochus tussen twee beelden van Jacobus. In St.Quentin vinden we achter in de basiliek vlakbij het labyrint een beeld van Rochus met daarbij een veelzeggend (kerkhof)bordje met de tekst: “Onze gedachte aan jou en jouw beeld herinneren ons eraan dat we slechts voorbijgangers zijn”. Zou Rochus hier plaatsvervangend staan? Een ingelijste mededeling aan de muur vertelt over de pelgrimage naar Santiago en besluit met de opmerking dat het beeld van Jacobus sinds 1914-1918 verdwenen is (!).

Rochus_Puenta la Reina_Harry Keijsers

In het Spaanse Puente la Reina zien we op het grote retabel in de kerk van Santiago el Maior Rochus rechts van Jacobus afgebeeld, terwijl links Sebastiaan, die andere pestheilige met pijlen (beschouwd als tekens van de pest), staat. De albergue Santa Marina in Molinaseca blijkt een voormalige San Roque-kapel te zijn. Na Cebreiro fietsen we over een kleine hoogvlakte, de Alto de San Roque, vernoemd naar Rochus. Er staat wel een beeld van Jacobus!

In Cacabelos komen we in de Calle de los Peregrinos uit bij een kapel van San Roque, overgebleven van een hermitage met hospitaal en sinds 1599 na een dodelijke pestperiode toegewijd aan San Roque. De herinnering aan Rochus is hier nog zeer levendig getuige de jaarlijkse rondgang met zijn beeltenis. Sinds enkele jaren is er op zijn feestdag een groots bierenfestival. Op het ‘eind van de wereld’ vinden we in het kerkje van Santa María de las Arenas, net voorbij Fisterra, Rochus en Jacobus nog eenmaal gebroederlijk naast elkaar. Ze hebben meer met elkaar gemeen dan hun uitrusting!

(dit artikel van mijn hand is ook gepubliceerd in “Jacobsstaf” nr. 104 van december 2014, een uitgave van het Nederlands Genootschap van Sint Jacob; de foto’s zijn – met uitzondering van de bovenste door Adrie – door mij gemaakt)

Een onverzettelijke bisschop – Saint Hilaire

Tuesday, July 8th, 2014

Op onze pelgrimsreis naar Santiago de Compostela komen we ruim voor Tours al fietsend langs de Loir door het plaatsje St-Hilaire-sur-Yerre en wat verderop door St-Hilaire-la-Gravelle. Ruim voorbij Poitiers passeren we, als we de route langs de kust nemen, St-Hilaire de Melle. Dit zijn slechts drie van de ruim 80 plaatsnamen in Frankrijk met Hilaire. Die naam is afkomstig van St. Hilaire, een bij ons nauwelijks bekende heilige, die in Frankrijk veel betekenis moet hebben gehad.

Naam

Als ik de naam Hilarius op mijn computer intyp, vraagt de automatische correctie of ik hilarisch bedoel. Het apparaat kent geen Hilarius. Maar dat is zo gek nog niet, getuige de verklaring die het Meertensinstituut geeft: Hilarius is afkomstig van het Latijnse hilaris en het Griekse hilaros, dat vrolijk, opgeruimd, opgewekt betekent. Wij kennen het woord hilariteit. En herkennen het ook in de voornaam van Hillary Clinton.

Bisschop van PoitiersHilarius_Poitiers_StHilaire_web

Over het leven van Hilarius is weinig bekend. Hij zou omstreeks het jaar 315 in Poitiers geboren zijn en daar het grootste deel van zijn leven hebben doorgebracht. Zijn welgestelde ouders regelden al tamelijk vroeg voor hem een huwelijk met een passende vrouw. Ook lieten ze hem de gebruikelijke studies volgen van retorica en filosofie. Zo kwam hij in zijn zoektocht naar de waarheid en de zin van het leven geleidelijk tot de erkenning van God de Schepper en van de vleesgeworden God, die gestorven is om ons het leven te schenken. Logisch, dat hij zich in het jaar 345 samen met zijn vrouw en dochter liet dopen. Van zijn hand is een Commentaar op het Evangelie van Matteüs, het oudste ons bekende commentaar in het Latijn op dit evangelie. In 350 werd hij gekozen tot bisschop van Poitiers. Dat bracht met zich mee dat hij gescheiden van zijn vrouw ging leven. In die tijd was de bisschop verplicht het celibaat te onderhouden; voor een priester was dat nog niet voorgeschreven. Samen met Martinus van Tours verzamelde hij een groep jonge monniken om zich heen en vormden zij in Ligugé de eerste kloostergemeenschap van de westerse kerk in Frankrijk. Op 13 januari 367 stierf Hilarius te midden van zijn kloostergemeenschap. De Rooms-Katholieke Kerk en de Oosters-Orthodoxe Kerken gedenken Sint Hilarius op 13 januari. Zijn graf bevindt zich in de crypte van de kerk Saint-Hilaire-le-Grand in Poitiers. Deze plaats zou Hilarius in de zevende eeuw in een droom aan Sint Fridolinus van Säckingen hebben aangegeven.

Strijd tegen het arianisme

Op theologisch vlak worden de eerste eeuwen van onze jaartelling gekenmerkt door een zoektocht naar de juiste geloofsleer. Hilarius heeft daarin een grote rol gespeeld met betrekking tot de leer over de Drie-eenheid. Op het Concilie van Nicea in 325 ging het debat over de verhouding van de Zoon tot de Vader. In de geloofsbelijdenis, die daar onder leiding van Athanasius de Grote werd aangenomen, staat dat Jezus van dezelfde substantie is als de Vader en dus ook waarlijk God is. Maar de arianen, bisschoppen die dachten in de lijn van Arius, meenden dat de Zoon dan niet gelijk kon zijn aan de Vader en bleven de godheid van Jezus ontkennen. Als bisschop verzette Hilarius zich later op de synode van Béziers in Zuid-Frankrijk (356) hevig tegen een meerderheid van ariaans gezinde bisschoppen. Deze kregen echter steun van de wereldlijke overheid, met als gevolg dat de bisschop van Poitiers door keizer Constantius werd verbannen naar Frygië, een gebied in het noorden van Klein-Azië (het huidige Turkije).  Daar leerde Hilarius de ariaanse denkwijze in het Oost-Romeinse Rijk nader kennen. Het werd hem steeds duidelijker, dat er verschillende woorden werden gebruikt voor dezelfde begrippen. Hij probeerde de onoverbrugbare standpunten met elkaar te verzoenen en zo te werken aan het herstel van de eenheid van de Kerk op basis van het geloof, zoals dat in Nicea was verwoord. Met dat doel begon hij aan zijn belangrijkste en bekendste dogmatische werk, het De Trinitate (Over de Drie-eenheid).

Kleurrijke legende

Op basis van dit boek werd hij als gast uitgenodigd op de synode van Seleucië (359), waar honderdvijftig bisschoppen uit het Oost-Romeinse Rijk bijeen kwamen. Hier speelde hij een belangrijke rol, wat blijkt uit een ‘kleurrijke’ legende over die synode. Deze vertelt dat ene paus Leo I (die was er pas rond 450!) Hilarius het zwijgen wilde opleggen en erop wees, dat hij als westerse bisschop onrechtmatig aanwezig was. Het ging immers om een synode van oosterse prelaten! Maar deze boosaardige woordvoerder kreeg plotseling last van zijn darmen. De aandrang werd zo hevig dat hij zich snel op de latrine moest terugtrekken. Omdat iedereen Hilarius negeerde en niemand hem een zetel aanbood, besloot hij gewoon op de grond plaats te nemen. Maar de grond onder hem kwam in beweging, rees omhoog en tilde zo Hilarius op tot het niveau van de andere bisschoppen.

Hilarius in Seleucië(afbeelding uit www.heiligen.net)

Op deze synode ontvouwde Hilarius tegenover de bisschoppen zijn theologie over de Drie-eenheid, uitgaande van de doopformule “In de Naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest”. Maar zijn standpunten werden hem ook hier niet in dank afgenomen en hij werd teruggestuurd naar Poitiers. Daar hernam hij zijn herderlijke activiteiten en streed hij op de bisschoppensynodes van Parijs in 361 en Milaan in 364 onvermoeibaar voor een zuivere leer rond de persoon van Jezus. En nu met succes. Men denkt dat deze zege over het arianisme grotendeels te danken was aan de kracht van Hilarius om het geloof te verbinden met zachtmoedigheid in de intermenselijke relatie. Vanwege zijn gezagvolle uitleg van de Heilige Schrift en het mysterie van de Drie-Eenheid verhief paus Pius IX hem in 1851 tot kerkleraar. Aan Hilarius danken we het – uit het oosten meegenomen – zingen van hymnen tijdens de eredienst.

Patronaten en afbeeldingen

Hij is patroon van de Franse plaatsen La Rochelle, Luçon en Poitiers. Zijn voorspraak wordt ingeroepen voor moeders op het moment van de bevalling, voor doodgeborenen, om genezing te verkrijgen van kinderen, die zwakbegaafd zijn of moeilijk leren lopen; tegen reumatiek en veeziekten, alsmede tegen slangen en slangenbeten.

Hilarius wordt afgebeeld als bisschop (mijter, tabberd, staf), vaak in gezelschap van slangen (symbool van duivelse invloeden) en draken (symbool van heidendom en ketterijen!).

(dit artikel van mijn hand is ook gepubliceerd in “Jacobsstaf” nr. 102 van juni 2014, een uitgave van het Nederlands Genootschap van Sint Jacob; de foto heb ik gemaakt in de kerk van Saint Hilaire in Poitiers)