Gastvrijheid

...now browsing by category

 

De (goddelijke) vader is verheven

maandag, augustus 8th, 2016

In het themanummer van de Jacobsstaf  over ‘gastvrijheid’ (december 2015) mocht ik de lezer kennis laten maken met Abraham als oervoorbeeld van gastvrijheid. In deze extra uitgave van Bramstaf wil ik nog wat meer over Abraham, de naamgever van Bram, aan het licht laten komen. Daarbij sta ik stil bij de visie op Abraham vanuit drie geloofsrichtingen.

Betekenis van de naam Bram / Abraham

De naam ‘Bram’ is afkomstig van ‘Abraham’. Deze naam is afgeleid van het Hebreeuwse ābhrām’, van ʼābh [vader] + rām [hoog, verheven] en betekent waarschijnlijk: ‘de (goddelijke) vader is verheven’. In het Oude Testament wordt de naam ook uitgelegd als: ‘vader van een menigte volken’. De oorspronkelijke vorm was ‘Abram’.

Abraham in de Thora, de Bijbel en de Koran

In de Thora wordt het leven van Abraham in Beresjiet (in het christendom Genesis), hoofdstukken 11 tot en met 25, beschreven. Beresjiet is geen biografie, maar vertelt enkele verhalen die het leven van Abraham typeren. Daarnaast worden zijn geboorte (Gen. 11,26) en dood (Gen. 25, 7-8) genoemd en verder er is een geslachtsregister opgenomen. Joden geloven dat God een verbond met drie personen heeft gesloten, te weten Abraham, zijn zoon Isaak en kleinzoon Jakob, waarbij de eerstgenoemde als stamvader van de Israëlieten wordt gezien.

De Thora vinden we ook in het Oude Testament, met hier en daar anders gespelde namen. In het Nieuwe Testament wordt Abraham opgevoerd als de ‘ideale christen avant la lettre’, omdat hij zo rotsvast op God vertrouwde. Daarom wordt hij gezien als een oudtestamentische voorloper van de christenen, die geloven in het offer van Jezus Christus. In geestelijke zin worden alle ware christenen dan ook nakomelingen van Abraham genoemd.

In de Koran is Ibrahim de boodschapper van de Suhuf-i-Ibrahim en gaat hij vooraf aan Mohammed en de Koran. Ibrahim wordt daarin nadrukkelijk moslim (en geen jood of christen) en ‘hanif’ genoemd. ‘Hanif’ is in de islam iedereen die al voor het ontstaan van de islam een monotheïstisch geloof aanhing, omdat hij – zonder joods of christelijk te zijn – de heidense religieuze praktijken veroordeelt. Ook Adam en Isa (Jezus) zijn een ‘ḥanif’. De Koran noemt Ibrahim de vader van monotheïstische volkeren.

Abraham speelt dus een rol in de Tenach van de joden, de Bijbel van de christenen en de Koran van de moslims (in deze laatste als Ibrahim). In deze boeken wordt hij gezien als de aartsvader van het volk Israël en de Arabieren in letterlijke zin, en van christenen en moslims in overdrachtelijke zin. Vandaar dat jodendom, christendom en islam ook wel ‘Abrahamitische religies’ worden genoemd.

De beproeving van Abraham door God

Hoe gaan de volgelingen van deze drie Abrahamitische religies met hun aartsvader Abraham om in relatie tot elkaar? Antwoorden op deze vraag raken zoveel kanten en hebben zoveel aspecten, dat ik me daarin moet beperken. Ik wil slechts enkele antwoorden vanuit christelijke optiek geven aan de hand van twee afbeeldingen over de beproeving van Abraham door God. Ik ben ze tijdens mijn pelgrimstochten naar Santiago tegengekomen.

Het verhaal

In het verhaal over deze beproeving (Genesis 22, 1-20) lezen we hoe Abraham door God gevraagd wordt zijn zoon Isaak (in de Koran, Soera 37:101-105: Ismaïl) als brandoffer op te dragen. In de Koran vraagt Ibrahim, die de oproep in een droom krijgt, aan zijn zoon Ismaïl wat hij ervan vindt om geofferd te worden, waarop de jongeman zegt: ‘Doe wat jou bevolen is. Als Allah het wil …’. Hij gaat met zijn zoon en twee knechten in drie dagreizen naar de aangewezen plek. Het laatste stuk van de reis gaat hij met het vuur en het offermes samen met zijn zoon, die het hout draagt, verder. Als Isaak vraagt waar het offerdier is, antwoordt Abraham dat God daar wel voor zal zorgen.

Als alles gereed is voor het brandoffer, Isaak vastgebonden ligt en Abraham zijn mes opheft, roept een engel te stoppen, omdat Abraham heeft laten zien godvrezend te zijn. Abraham wordt gezegend en hem worden veel nakomelingen toegezegd. In de Koran wordt vervolgens aan Ibrahim het goede nieuws over de geboorte van Isaak verteld en worden Ibrahim en Isaak, als een profeet van de rechtvaardigen, gezegend. Dan wordt een ram uit de doornstruiken gehaald en geofferd. Tot zover het verhaal uit de heilige boeken.

In de oudchristelijke kunst wordt Abraham ’s offer vaak als een voorafbeelding van Christus ’ offerdood gezien. Deze symboliek gaat terug op de kerkvaders. Abraham is het beeld van God de Vader. Isaak dat van God de Zoon. De drie dagreizen wijzen op de drie grote tijdperken in het joodse volk (van Abraham tot Mozes, van Mozes tot Johannes de Doper en van Johannes de Doper tot Jezus Christus). De twee knechten, die Abraham vergezellen, zijn de twee groepen van het joodse volk, Israël en Juda. De ezel, die de werktuigen draagt zonder te weten wat hij doet, is de onwetende Synagoge. De Synagoge, die vaker als vrouwenfiguur wordt afgebeeld, staat voor het jodendom, dat de Messias niet heeft erkend. Daartegenover staat de vrouwenfiguur Ecclesia, die de zegevierende kerk voorstelt. Het brandhout, dat Isaak soms samengebonden in de vorm van een kruis, op zijn schouders draagt, is een beeld van het kruis, door Christus naar de Calvarieberg gedragen. De ram, die de plaats van Isaak inneemt, is een beeld van Christus, die ook in plaats van anderen geofferd wordt. De doornstruiken zijn de doornenkroon.

Het offer van Isaak

Nevers_Offer Abraham_foto Harry Keijsers

In de kathedraal van de Saint-Cyr et Sainte-Julitte in Nevers zijn eind vorige eeuw door Jean-Michel Alberola een aantal kleurrijke glas-in-loodramen ontworpen. In een daarvan staat bijgaande uitbeelding van het offer van Abraham. We zien daar een groot zwaard, dat het venster naar beneden doorklieft. Bovenin is de hand van God zichtbaar, die het zwaard pakt en zo Abrahams handeling onmogelijk maakt. Hiermee wordt duidelijk gemaakt dat er een eind moet komen aan het offeren van mensen. De God van Abraham is immers een god van leven en niet van dood. Door deze redding staat Isaak aan het begin van het volk van het Verbond. Onderin links is de ram zichtbaar. Rechts in het raam kan men het gezicht van Isaak zien, met de hand van Abraham voor zijn ogen. Volgens een bij het glasraam aangetroffen beschrijving geeft dit raam een voorafbeelding van de uit de dood opgestane Christus, die eveneens door de hand van God uit de dood is opgestaan en aan het begin staat van het nieuwe volk van gelovigen, die bouwen aan het Koninkrijk van God.

De poort van het lam

León_Portaalboog Puerta del Cordero_foto Harry Keijsers

De basiliek San Isidoro uit de 11e eeuw in León heeft aan de zuidzijde twee rijk gebeeldhouwde portalen, de Puerta del Cordero (van het Lam) en de Puerta del Perdón (van de genade). Boven op de topgevel van de eerste, de Puerta del Cordero staat Isidorus als Morendoder afgebeeld.

In de portaalboog zelf staat bovenaan in een cirkel het Lam Gods (el Cordoro), die wordt gedragen door twee engelen. Links en rechts zweven twee engelen die daarnaar verwijzen. Op de basis van deze portaalboog zijn van rechts naar links (!) de volgende afbeeldingen te zien. Het vertrek van Abraham met Isaak en de ezel. Opmerkelijk is dat Isaak vervolgens voor het offer zijn sandalen losmaakt en zich uitkleedt. Daarmee wordt de onderwerping aan de wil van God aangegeven. Denk aan de bereidheid van Jezus zijn dood aan het kruis te ondergaan. Verder naar links zien we de hand van God, die Abraham ervan weerhoudt om Isaak te offeren. Dan zien we een engel die wijst op de ram in de struiken. Helemaal aan de linkerzijde wordt de dienstmaagd Hagar met Abrahams onechtelijke zoon Ismaël naar de woestijn verbannen. Onder het wegrijden richt Ismaël zijn pijl op het Lam Gods. In deze afbeelding is een verwijzing naar de in die tijd gevoerde Reconquista (herovering) te zien. Vanaf 711 werd het Spaanse schiereiland bezet door de moren. Begrijpelijk dat men een diepe afkeer had van deze aanhangers van de islam, de door de christenen beschouwde nakomelingen van Ismaël. Of de ezel hier ook een verwijzing is naar het jodendom, zoals in de beschrijving boven al aangegeven?

Besluit

Als we kijken naar de actualiteit van vandaag de dag moeten we constateren dat de volgelingen van de Abrahamitische religies nog allerminst als broeders en zusters met elkaar omgaan. We hoeven maar te kijken naar Israël en de Palestijnse kwestie, de brandhaarden in het Nabije-Oosten en dichter bij huis de reacties op de komst van vele ‘andersgelovige’ vluchtelingen. De heilige boeken willen duidelijk maken, dat we allen uit een God voortkomen en Hem hebben te eren door ieder naar zijn beeld en gelijkenis geschapen medemens te respecteren. Uiteindelijk zijn we allen zonen van Abraham.

(dit artikel van mijn hand is ook gepubliceerd in “Bramstaf”, een extra uitgave – in kleine oplage – bij gelegenheid van het afscheid van de redactie van Bram van der Wees, april 2016, een uitgave van het Nederlands Genootschap van Sint Jacob)

 

Gastvrijheid: geven en ontvangen

zaterdag, januari 9th, 2016

Uit een project voor kleuters van jaren geleden herinner ik mij een prentenboek van Leo Lionni met als titel Blauwtje en Geeltje. Blauwtje en Geeltje, zo heten de twee kinderen in dit boek, zijn elkaars vriendje. Als ze tijdens een middagje spelen elkaar omarmen, worden ze allebei groen. Thuiskomend worden ze door hun ouders niet meer herkend en willen zij hun kind weer wegsturen. Maar wanneer de ouders van Blauwtje later hun huilende kind toch herkennen en het vriendje van hun zoon omarmen, merken ze dat zij zelf ook groen worden. Aan kleuters vertelt dit verhaal dat twee kleuren samen een nieuwe kleur vormen. Volwassenen kunnen er uit leren, dat er iets in hen en de ander verandert, als hij die ander bij zich toelaat.

Harry Keijsers - LÉsprit du Chemin (Small)

In de afgelopen maanden hebben we in ons veilige landje en het welvarende West-Europa ervaren hoe kwetsbaar het leven is. We zien vreemdelingen, die zeeën en grenzen trotseren en over autowegen en spoorlijnen een veilig heenkomen zoeken in onze omgeving, streek, stad of dorp. Sommigen onder ons verschieten van kleur en voelen zich hierdoor overspoeld. Zij zien vooral het massale en anonieme. Anderen zien in hen allereerst medemensen, die op de vlucht zijn als gevolg van oorlogsgeweld. Zij ontvangen hen van harte met voedsel, kleding en onderdak, en veranderen daardoor van kleur. De komst van deze vluchtelingen naar ons land vraagt onoverkomelijk om een reactie.

Gastvrijheid

Gastvrijheid bieden aan de vreemdeling, aan de ander (die echt anders is) is geen voor de hand liggende zaak. Veel talen hebben zelfs voor ‘vreemdeling’ en ‘vijand’ hetzelfde woord. De spanning die er ligt in het Griekse woord philoxenia (‘phílos’ = vriend en ‘xenos’= vreemdeling) –liefde en vriendschap bieden aan de vreemdeling – laat zien dat het betonen van gastvrijheid niet voor de hand ligt. Gastvrijheid wordt gehinderd door xenofobie (‘xénos’= vreemdeling en ‘phóbos’= angst/vrees) – een algemene angst en afkeer van mensen voor alles en iedereen die vreemd, ongewoon of zeldzaam is. De komst van de vreemdeling betekent immers verandering. Om die te verwerken is er ruimte en tijd nodig. Gastvrijheid vraagt van de gastheer dat hij in zekere zin ook vreemdeling wil worden. Gastvrijheid gaat niet alleen over geven, maar ook over ontvangen.

Van oudsher en overal zijn mensen bezig met gastvrijheid. Van de Maya’s in Midden-Amerika is bekend, dat zij altijd een deel van de oogst op het land achterlaten voor de dieren en de vogels én voor de vreemdeling die mogelijk voorbij komt. Europese kolonisten ontdekten bij de inheemse indianen in de Caraïben de ananas als een symbool van gastvrijheid. Zij hingen een ananas bij de ingang van hun huizen als welkomstteken. Nu komen we die bij ons wel eens in steen tegen bij ingangen en poorten van statige huizen. Van moslims is bekend dat zij vaak een extra bord op tafel klaarzetten voor het geval er gasten komen.

Harry Keijsers - Gouda - Genootschap -2 (Small)

In het Oude Testament

In de tijd van de aartsvaders was het verzorgen van vreemdelingen een heilige verplichting. In het Jodendom, Christendom en Islam is dit een belangrijk thema. Achter het aanbieden van voedsel, onderdak en vriendschap aan de doortrekkende reiziger zat het besef dat men zelf ook in zo’n afhankelijke positie terecht zou kunnen komen. Ook wordt er in de bijbel gewezen op de eigen situatie van het volk van Israël, dat is weggetrokken uit de slavernij van Egypte en zich een plaats heeft moeten verwerven in het Beloofde Land: ‘Vreemdelingen mag u niet slecht behandelen. U weet zelf hoe een vreemdeling zich voelt, omdat u ook als vreemdeling in Egypte gewoond hebt.’ (Ex. 23,9) Een motief voor gastvrijheid is ook gelegen in de kans dat God een boodschapper in de persoon van een vreemdeling stuurt.

Hét voorbeeld van gastvrijheid in het Oude Testament is het verhaal over het bezoek van de drie engelen aan aartsvader Abraham in Genesis 18. In het vervolg van dit verhaal wordt duidelijk, dat degene die gastvrij is, zelf zegen ontvangt: Abraham en zijn vrouw Sara zullen een zoon krijgen. Het tegendeel van zegen overkomt wie het aan gastvrijheid ontbreekt. Zoals de inwoners van Sodom, die de gasten van Lot willen besodemieteren (Gen. 19). De hele stad wordt verwoest. Nog erger wordt het in Richteren 19, waar de gastheer om de uitlevering van een gast wordt gevraagd. Uiteindelijk sturen de gast en zijn gastheer de bijvrouw van de gast naar buiten, waar ze wordt verkracht en mishandeld.

In het Oude Testament wordt vaak nadrukkelijk opgeroepen tot een leefwijze, waarin plaats is voor vreemdelingen. Om hen gastvrij te bejegenen en ruimte voor hen vrij te maken. Wat bij het oogsten van olijven, graan en druiven achterblijft is bedoeld voor de (in deze volgorde!) vreemdelingen, weduwen en wezen, zo lezen we tot drie keer toe in hoofdstuk 24 van Deuteronomium. Opmerkelijk is in dit verband het boek Ruth. Zij is een Moabitische vrouw, die als weduwe met haar schoonmoeder naar Juda komt, waar zij op de akkers aren gaat lezen. Een rechtsgetrouwe jood neemt haar op en huwt haar. Door hun gezamenlijke zoon, Obed, de vader van Isaï, wordt de vreemdeling Ruth de overgrootmoeder van koning David. Het boek Ruth maakt duidelijk dat God werkzaam kan zijn door vrouwen en vreemdelingen, die onder zijn vleugels een toevlucht zoeken. We komen haar naam weer tegen in het overzicht van de afstamming van Jezus aan het begin van het evangelie van Matteüs.

rembrandt_samaritaan001

In het Nieuwe Testament

In het evangelie van Lucas over de geboorte van Jezus is er uitgerekend voor hem geen plaats in de herberg en wordt hij in doeken gewikkeld in een voederbak gelegd. Niet lang daarna moet het jonge gezin zelfs vluchten naar Egypte. Jezus, hij die niet welkom lijkt in de wereld, trekt in zijn leven het spoor van gastvrijheid uit het Oude Testament juist consequent door. In zijn persoon manifesteert zich het duidelijke bewijs van Gods ‘partijdigheid’. Dat zien we aan de vele maaltijden, waaraan hij deelneemt, en de mensen bij wie hij te gast wil zijn (Zacheüs, tollenaars en farizeeën). In zijn parabels, die vertellen over de gastvrijheid in het Koninkrijk van God, gaat het vaak over thuiskomen en samen eten. Daarbij is iedereen welkom. Niet alleen belangrijke en correcte mensen, maar juist degenen die buiten de samenleving gezet worden. In het verhaal over de Emmaüsgangers (Luc. 24,13-35) wordt de vreemdeling, die deze wandelaars onderweg ontmoeten, uitgenodigd om bij hen te blijven. En dan worden de rollen omgedraaid. De gast wordt gastheer. En degenen die gastvrijheid bieden worden ontvangers van gastvrijheid. Laatst vertelde een pelgrim dat de monniken op leeftijd, bij wie hij onderweg te gast was geweest, naar zijn gevoel meer aan zijn bezoek hadden beleefd dan hijzelf.

emmaus_rembrandt_van_rijn

Die gastvrijheid staat later ook in dienst van het evangelie en de verspreiding ervan. Zo dient er gastvrijheid betoond te worden aan rondreizende evangelisten. De eerste christelijke gemeenten leefden aan de rand van de samenleving. Zij waren als ‘mensen van de weg’ vreemdelingen en bijwoners in de plaats waar zij woonden. Dit in schrille tegenstelling tot tegenwoordig waar christenen soms vooral ‘mensen van de (vaste) zitplaats’ lijken te zijn geworden.

Zien, bewogen worden, handelen

Een zeer bekende parabel van Jezus is die over de Barmhartige Samaritaan (Luc 10,25-37). Op de vraag van een wetgeleerde over wie zijn naaste is, vertelt Jezus over een man, die onderweg overvallen wordt door rovers en daarna halfdood achterblijft. Een voorbijkomende priester, en later ook een leviet, ziet hem en loopt met een boog om hem heen. Maar een Samaritaan, die hem ziet liggen, krijgt medelijden, verzorgt hem en brengt hem naar een herberg.

Voor de joods-christelijke traditie heeft gastvrijheid vooral te maken met het hebben van een luisterend oor en een zorgzaam oog voor de ander. Dat je ziet, bewogen wordt en handelt. Je huis open zet voor een ander, je tafel deelt met een ander. Dat betekent niet dat je iemand in je huis verwelkomt om net als jij te worden, maar dat je samen een ruimte betreedt waar je allebei anders uitkomt. Van kleur verandert zoals in het verhaal van Blauwtje en Geeltje. Daarvoor moet je in je eigen leven geraakt durven worden. En dat gebeurt niet op kleurloze wijze. Het is altijd déze gastvrijheid, beoefend door déze mens. In deze ontmoeting is er niet enkel de beweging van de gastheer naar de gast maar ook de beweging van de gast naar de gastheer. Beide bewegingen versmelten in elkaar en zowel de gast als de gastheer zullen er door veranderd verder gaan.

Mogelijk kan in die ontmoeting – maar dat is niet zeker of nodig – Gods aanwezigheid ervaren worden, te zien zijn in het gelaat van de ander. Het is vanuit deze ultieme contactervaring dat mensen bewogen raken, het leven als een gave ervaren. Als een schat die men wil delen. Dit samen leven, samen in het leven staan, maakt dat mensen elkaar niet meer naar het leven kúnnen staan. Wie werkelijk vol in het leven staat, kan alleen nog maar uit liefde leven.

(dit artikel van mijn hand is ook gepubliceerd in “Jacobsstaf” nr. 108 van december 2015, een uitgave van het Nederlands Genootschap van Sint Jacob)